Isaiæ
Chapter 32
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Isaiæ 32

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Ecce in justitia regnabit rex, et principes in judicio præerunt.
1Zie, dan zal een Koning met gerechtigheid heersen, En de vorsten zullen besturen met recht.
2Et erit vir sicut qui absconditur a vento, et celat se a tempestate; sicut rivi aquarum in siti, et umbra petræ prominentis in terra deserta.
2Ieder van hen zal zijn als een beschutting tegen de wind, En als een schuilplaats tegen de regen; Als een waterbeek in de steppe, Als de schaduw van een machtige rots op het dorstige land.
3Non caligabunt oculi videntium, et aures audientium diligenter auscultabunt.
3Dan blijven de ogen der zienden niet langer gesloten, En de oren der horenden luisteren weer;
4Et cor stultorum intelliget scientiam, et lingua balborum velociter loquetur et plane.
4Het onbezonnen verstand leert begrijpen, De stamelende tong spreekt vloeiend en klaar;
5Non vocabitur ultra is qui insipiens est, princeps, neque fraudulentus appellabitur major;
5De dwaas wordt niet langer voor edel gehouden, De sluwerd geen man van aanzien genoemd.
6stultus enim fatua loquetur, et cor ejus faciet iniquitatem, ut perficiat simulationem, et loquatur ad Dominum fraudulenter, et vacuam faciat animam esurientis, et potum sitienti auferat.
6Want de dwaas spreekt maar dwaasheid En zijn hart zint op boosheid: Om vermetel te worden, En tegen Jahweh te lasteren; Om den hongerige gebrek te doen lijden, Den dorstige een dronk te onthouden.
7Fraudulenti vasa pessima sunt; ipse enim cogitationes concinnavit ad perdendos mites in sermone mendacii, cum loqueretur pauper judicium.
7En de sluwerd verzint listige streken, Beraamt boze plannen, Om ongelukkigen door leugen in het verderf te storten, Den arme door zijn beschuldiging voor het gerecht.
8Princeps vero ea quæ digna sunt principe cogitabit, et ipse super duces stabit.]
8Maar een edel mens vormt nobele plannen, En brengt ze ten uitvoer.
9[Mulieres opulentæ, surgite, et audite vocem meam; filiæ confidentes, percipite auribus eloquium meum.
9Lichtzinnige vrouwen, hoort naar mijn stem, Luchthartige dochters, luistert naar mijn woord!
10Post dies enim et annum, vos conturbabimini confidentes; consummata est enim vindemia, collectio ultra non veniet.
10Na jaar en dag Zult ge beven, luchthartigen: Want dan is ‘t gedaan met de wijn, En geen oogst is er meer.
11Obstupescite, opulentæ; conturbamini, confidentes: exuite vos et confundimini; accingite lumbos vestros.
11Siddert lichtzinnigen, beeft luchthartigen, Ontkleedt en ontbloot u; Gordt de rouw om uw lenden,
12Super ubera plangite, super regione desiderabili, super vinea fertili.
12En slaat op uw borsten: Om de lieflijke velden, De vruchtbare wijnstok.
13Super humum populi mei spinæ et vepres ascendent: quanto magis super omnes domos gaudii civitatis exultantis !
13Doornen en distels woekeren op de grond van mijn volk In alle lustpaleizen der dartele veste;
14Domus enim dimissa est, multitudo urbis relicta est, tenebræ et palpatio factæ sunt super speluncas usque in æternum; gaudium onagrorum, pascua gregum.
14Want de burcht ligt eenzaam, verlaten de woelige stad, Ofel en toren verwoest: Holen voor eeuwig, Een lustoord voor ezels, een weide der kudde.
15Donec effundatur super nos spiritus de excelso, et erit desertum in carmel, et carmel in saltum reputabitur.
15Dan stort Hij voor eeuwig een geest uit de hoge over ons uit, En wordt de steppe een boomgaard, de boomgaard een woud.
16Et habitabit in solitudine judicium, et justitia in carmel sedebit.
16Het recht zal in de steppe vertoeven, De gerechtigheid in de boomgaard wonen;
17Et erit opus justitiæ pax, et cultus justitiæ silentium, et securitas usque in sempiternum.
17En vrede zal de winst der gerechtigheid zijn, Rust en veiligheid de vrucht van het recht voor altoos!
18Et sedebit populus meus in pulchritudine pacis, et in tabernaculis fiduciæ, et in requie opulenta.
18Mijn volk zal in een oord van vrede wonen, In veilige woningen in zorgeloze rust.
19Grando autem in descensione saltus, et humilitate humiliabitur civitas.
19Maar het woud zal worden geveld en vernield, De stad tot de grond geslecht.
20Beati qui seminatis super omnes aquas, immittentes pedem bovis et asini.]
20Heil u! Gij zult aan alle wateren zaaien, En rund en ezel daar vrij laten lopen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.