Isaiæ 46
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Confractus est Bel, contritus est Nabo; facta sunt simulacra eorum bestiis et jumentis, onera vestra gravi pondere usque ad lassitudinem.
1Bel wankelt al, en Nebo valt; Hun beelden worden op beesten en ossen gelegd, Getorst en gedragen, een vermoeiende last,
2Contabuerunt, et contrita sunt simul; non potuerunt salvare portantem, et anima eorum in captivitatem ibit.
2Waaronder allen zich bukken en krommen. Maar ze kunnen hun last niet in veiligheid brengen, Zelf zullen ze in ballingschap gaan!
3Audite me, domus Jacob, et omne residuum domus Israël; qui portamini a meo utero, qui gestamini a mea vulva.
3Huis van Jakob, luister naar Mij, Wie overbleven van Israëls huis, Die sinds hun geboorte door Mij zijn getorst, Gedragen van de moederschoot af!
4Usque ad senectam ego ipse, et usque ad canos ego portabo; ego feci, et ego feram; ego portabo, et salvabo.
4Tot uw ouderdom ben Ik dezelfde, tot uw grijsheid blijf Ik u torsen. U dragen, zoals Ik gedaan heb, u torsen en redden.
5Cui assimilastis me, et adæquastis, et comparastis me, et fecistis similem?
5Naast wien soms wilt gij Mij stellen en meten, Op wiens beeld Mij doen lijken?
6Qui confertis aurum de sacculo, et argentum statera ponderatis, conducentes aurificem ut faciat deum, et procidunt, et adorant.
6Ze schudden goud uit hun buidel, Wegen zilver af op de schaal, Huren een goudsmid, om er een god van te maken, En buigen aanbiddend zich neer.
7Portant illum in humeris gestantes, et ponentes in loco suo, et stabit, ac de loco suo non movebitur: sed et cum clamaverint ad eum, non audiet; de tribulatione non salvabit eos.
7Ze tillen hem op de schouders En dragen hem rond, Zetten hem neer op een voetstuk: daar staat hij, Hij komt van zijn plaats niet meer af; Hij geeft geen antwoord, als men hem roept, Redt niemand uit zijn ellende.
8Mementote istud, et confundamini; redite, prævaricatores, ad cor.
8Denkt daaraan, weest verstandig, rebellen,
9Recordamini prioris sæculi, quoniam ego sum Deus, et non est ultra deus, nec est similis mei.
9Neemt het ter harte, en herinnert u wat vroeger is gebeurd. Ja, ik ben God, er is geen ander, God, die zijns gelijke niet heeft;
10Annuntians ab exordio novissimum, et ab initio quæ necdum facta sunt, dicens: Consilium meum stabit, et omnis voluntas mea fiet.
10Die van de beginne het einde voorzegde, Tevoren, wat nog niet was geschied. Ik spreek: Mijn raadsbesluit zal worden volbracht, Wat Ik gewild heb, breng Ik tot stand;
11Vocans ab oriente avem, et de terra longinqua virum voluntatis meæ: et locutus sum, et adducam illud; creavi et faciam illud.
11Uit het oosten roep Ik den roofvogel op, Uit verre landen den man van mijn plannen! Zoals Ik gezegd heb, zal Ik het schikken, Zoals Ik besloten heb, zal Ik het doen.
12Audite me, duro corde, qui longe estis a justitia.
12Moedelozen, luistert naar Mij, Die u nog ver van het heil meent verwijderd:
13Prope feci justitiam meam, non elongabitur, et salus mea non morabitur. Dabo in Sion salutem, et in Israël gloriam meam.]
13Mijn heil doe Ik naderen, het is niet verre meer af, Mijn redding laat zich niet wachten; Aan Sion breng Ik verlossing, Aan Israël mijn glorie!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.