Isaiæ 15
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Onus Moab. [Quia nocte vastata est Ar Moab, conticuit; quia nocte vastatus est murus Moab, conticuit.
1De godsspraak over Moab. Ach, in één nacht is Ar overweldigd, Moab verwoest, Ach, in één nacht is Kir overmeesterd, Moab vernield!
2Ascendit domus, et Dibon ad excelsa, in planctum super Nabo; et super Medaba, Moab ululavit; in cunctis capitibus ejus calvitium, et omnis barba radetur.
2De dochter van Dibon heeft de hoogten beklommen, Om er te wenen, En over Nebo en Medeba Heft Moab zijn klaagzangen aan. Alle hoofden zijn kaal, Alle baarden geschoren;
3In triviis ejus accincti sunt sacco; super tecta ejus et in plateis ejus omnis ululatus descendit in fletum.
3Men draagt de rouwzak op straat, En treurt op de daken. Alles jammert op zijn pleinen, Barst uit in geween;
4Clamabit Hesebon et Eleale, usque Jasa audita est vox eorum; super hoc expediti Moab ululabunt, anima ejus ululabit sibi.
4Chesjbon en Elale snikken, Tot Jáhas hoort men ze schreien. De lenden van Moab rillen er van, En zijn ziel is onthutst;
5Cor meum ad Moab clamabit; vectes ejus usque ad Segor, vitulam conternantem; per ascensum enim Luith flens ascendet, et in via Oronaim clamorem contritionis levabunt.
5Moab snikt het uit in zijn hart, Ontredderd, tot Sóar en Eglat. Ach, de bergpas van Loechit Bestijgt men al schreiend; Ach, op de weg van Choronáim Stoot men een jammerklacht uit!
6Aquæ enim Nemrim desertæ erunt, quia aruit herba, defecit germen, viror omnis interiit.
6Want de wateren van Nimrim Zijn een steppe geworden: Het gras is verdroogd, het kruid is verdord, Het groen is verdwenen.
7Secundum magnitudinem operis, et visitatio eorum: ad torrentem Salicum ducent eos.
7Ja, wat men gespaard En opgelegd had, Brengt men in veiligheid De Wilgenbeek over!
8Quoniam circuivit clamor terminum Moab; usque ad Gallim ululatus ejus, et usque ad puteum Elim clamor ejus.
8Ach, het gejammer trekt rond Door de landen van Moab; Geklaag tot Egláim, Tot Beër-Elim gehuil.
9Quia aquæ Dibon repletæ sunt sanguine; ponam enim super Dibon additamenta; his qui fugerint de Moab leonem, et reliquiis terræ.]
9Want de wateren van Dimon staan al vol bloed, Over Dimon breng Ik nieuwe rampen; Ik zal er de rest van Moab mee drenken, En vernielen wat er overschiet!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.