サムエル記第一
Chapter 9
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

サムエル記第一 9

Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ベニヤミン人の中にキシュという名の男がいた。彼はアビエルの子、ツェロルの子、ベコラテの子、アフィアの子で、ベニヤミン人であり、力ある勇士であった。
1Nu was er onder de Benjamieten een man, die Kisj heette; hij was een zoon van Abiël, den zoon van Seror, zoon van Bekorat, zoon van Afiach; hij was een Benjamiet, en een welvarend man.
2彼にはサウルという名の息子がおり、立派な若者で、イスラエルの人々の中で彼ほど容姿の優れた者はいなかった。彼の肩から上は、どの民よりも背が高かった。
2Deze had een zoon, Saul genaamd, jong en flink. Niemand van de Israëlieten was zo flink als hij; met kop en schouder stak hij boven heel het volk uit.
3サウルの父キシュのろばが迷い出た。キシュは息子のサウルに言った。「今、若者の一人を連れて立ち上がり、行ってろばを探しなさい。」
3Eens werden de ezelinnen van Kisj, den vader van Saul, vermist. Kisj zeide dus tot zijn zoon Saul: Neem een van de knechten met u mee, en vooruit, ga de ezelinnen zoeken.
4サウルはエフライムの山地を通り抜け、シャリシャの地を通り抜けたが、彼らはろばを見つけられなかった。それからシャアリムの地を通り抜けたが、そこにもいなかった。さらにベニヤミン人の地を通り抜けたが、彼らは見つけられなかった。
4Ze doorkruisten het Efraïmgebergte en vervolgens de landstreek Sjalisja, zonder iets te vinden. Daarna zwierven ze door de landstreek Sjaälim, maar ook daar waren ze niet. Ook zochten ze het land van Benjamin af, maar ze vonden niets.
5彼らがツフの地に来た時、サウルはともにいた若者に言った。「さあ、引き返そう。父がろばのことよりも私たちのことを心配し始めないように。」
5Toen ze eindelijk in de landstreek Soef waren gekomen, zei Saul tot zijn knecht, die hem begeleidde: Laat ons maar teruggaan; anders maakt mijn vader zich nog meer bezorgd over ons, dan over de ezelinnen.
6若者は彼に言った。「見よ、この町には神の人がいます。彼は誉れ高い人で、彼の言うことはすべて必ずその通りになります。今、そこへ行きましょう。もしかすると、彼が私たちの行くべき道について教えてくれるかもしれません。」
6Hij antwoordde hem: Daar in die stad woont een man Gods, die hoog in aanzien staat; want alles wat hij zegt komt haarfijn uit. Laat ons daarheen gaan; misschien kan hij ons inlichten omtrent de weg, die we hebben te gaan.
7そこでサウルは若者に言った。「しかし、見よ、もし私たちが行くなら、その人に何を持って行こうか。私たちの袋のパンは尽きており、神の人に持って行く贈り物はない。私たちには何があるだろうか。」
7Saul zei tot den knecht: Wat kunnen we den man dan aanbieden, als we er heen gaan? Het brood in onze zakken is op, en we hebben geen geld; wat kunnen we den godsman dan aanbieden?
8若者は再びサウルに答えた。「見よ、わたしの手に銀一シェケルの四分の一 があります。わたしはこれを神の人に与え、私たちの道を教えてもらいましょう。」
8De knecht hernam en zei tot Saul: Wel, ik heb nog een kwart zilveren sikkel, die ik den godsman zou kunnen aanbieden; dan zal hij ons wel inlichtingen geven over onze reis.
9(昔、イスラエルで人が神に伺うために行く時、このように言った。「さあ、先見者のところへ行こう。」今日預言者と呼ばれている者は、以前は先見者と呼ばれていたからである。)
9(Vroeger zei men namelijk in Israël, als men God ging bevragen: “Kom, laat ons naar den ziener gaan”; want de profeet van vandaag werd vroeger ziener genoemd.)
10サウルは若者に言った。「良い考えだ。さあ、行こう。」こうして彼らは神の人がいる町へ行った。
10(a) Toen zei Saul tot den knecht: Uw voorstel is goed; kom, laat ons naar den ziener gaan. Ze gingen dus naar de stad waar de godsman woonde.
11彼らが町へ上る坂道を上って行くと、水を汲みに出て来る若い娘たちに出会い、彼女たちに「先見者はここにいますか」と尋ねた。
11Terwijl ze de helling naar de stad beklommen, kwamen ze meisjes tegen, die water gingen putten. Ze vroegen haar: Is de ziener thuis?
12彼女たちは答えた。「います。ほら、その方はあなたがたの前におられます。急ぎなさい。民が今日、高き所でいけにえを献げるので、その方は町に来られたのです。
12Ze antwoordden hun: Ja, de ziener is juist vóór u in de stad aangekomen; want er is vandaag op de hoogte een offer voor het volk.
13町に入れば、高き所へ食事に上る前にその方を見つけられるでしょう。その方がいけにえを祝福するので、その方が来られるまで民は食事をしません。その後で、招かれた者たちが食事をします。それゆえ今、上って行きなさい。今ならその方に会えるでしょう。」
13Als gij nu naar de stad gaat, kunt gij hem nog treffen, voordat hij de hoogte beklimt om te eten. Want het volk kan niet beginnen, voordat hij komt; hij moet immers het offer zegenen, dan pas kunnen de gasten eten. Gaat dus naar boven, dan zult gij hem nog juist kunnen treffen.
14彼らは町に上って行った。彼らが町の中に入ると、見よ、サムエルが高き所へ上るために、彼らに向かって出て来た。
14Ze gingen dus naar de stad. Juist toen ze de poort binnenkwamen, liep Samuël hun tegemoet, daar hij naar buiten ging, om zich naar de hoogte te begeven.
15サウルが来る前日、主はサムエルに啓示して言われていた。
15Nu had Jahweh daags voor de komst van Saul aan Samuël geopenbaard:
16「明日の今ごろ、わたしはベニヤミンの地から一人の男をあなたのところに遣わす。あなたは彼に油を注いで、わたしの民イスラエルの君主としなさい。彼はわたしの民をペリシテ人の手から救い出すであろう。彼らの叫びがわたしに届き、わたしがわたしの民を顧みたからである。」
16Morgen om deze tijd zal Ik een man sturen uit het gebied van Benjamin; dien moet ge zalven tot vorst over mijn volk Israël. Hij zal mijn volk verlossen uit de macht der Filistijnen. Want Ik heb op mijn volk neergezien, daar zijn geroep tot Mij is doorgedrongen.
17サムエルがサウルを見た時、主は彼に言われた。「見よ、わたしがあなたに話した男だ。この者がわたしの民を治める。」
17Toen nu Samuël Saul bemerkte, zeide Jahweh tot hem: Dat is de man, van wien Ik u gesproken heb; hij zal heersen over mijn volk.
18その時サウルは門の中でサムエルに近づいて言った。「どうか、先見者の家がどこにあるか教えてください。」
18Intussen was Saul onder de poort op Samuël toegetreden. Hij vroeg: Wees zo goed, en vertel me, waar het huis van den ziener staat.
19サムエルはサウルに答えた。「わたしが先見者である。わたしの先に高き所へ上りなさい。あなたがたは今日わたしとともに食事をするからである。朝にはあなたを送り出し、あなたの心にあることをすべて教えよう。
19Samuël gaf Saul ten antwoord: Ik zelf ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte, en eet vandaag bij mij; morgen zal ik u uitgeleide doen, en u alles vertellen, wat u op het hart ligt.
20三日前に迷い出たあなたのろばについては、気にかけるな。すでに見つかっているからだ。イスラエルの望むものはすべて、だれのものになるのか。あなたと、あなたの父の全家のものではないか。」
20Wat die ezelinnen betreft, die ge nu sinds drie dagen mist, heb daar geen zorg over; want ze zijn teruggevonden. Maar aan wien zal ten deel vallen, wat heel Israël zich wenst? Aan wien anders dan aan u en aan uw gehele familie?
21サウルは答えた。「わたしはイスラエルの部族の中で最も小さいベニヤミン人ではありませんか。わたしの氏族はベニヤミン部族のすべての氏族の中で最も小さなものではありませんか。それなのに、なぜあなたはそのようなことをわたしに言われるのですか。」
21Saul antwoordde en sprak: Ik ben toch maar een Benjamiet, uit de kleinste stam van Israël, en mijn geslacht is het onbeduidendste onder alle geslachten van de stam Benjamin. Waarom zegt ge mij dan zo iets?
22サムエルはサウルとその若者を連れて客間に入り、招かれたおよそ三十人の人々のうちの最も良い席に彼らを座らせた。
22Nu nam Samuël Saul en zijn knecht met zich mee, en bracht ze naar een kamer, waar hij hun een plaats gaf aan het hoofd van de ongeveer dertig genodigden.
23サムエルは料理人に言った。「わたしがあなたに渡し、『取っておくように』と言ったあの分を持って来なさい。」
23En tot den kok zei Samuël: Dien het gerecht op, dat ik u gegeven heb, en dat ik u verzocht, apart te houden.
24料理人はもも肉とその上の部分を持ち上げ、サウルの前に置いた。サムエルは言った。「見よ、取り分けておいたものがあなたの前に置かれている。食べなさい。わたしが『民を招いた』と言った時から、この時のためにあなたのために取っておかれたものだからだ。」こうしてサウルはその日、サムエルとともに食事をした。
24De kok diende dus de schenkel op met wat daarbij hoort, en zette die voor Saul neer. Samuël zeide: Eet wat u wordt voorgezet; want het werd voor u bestemd, toen ik het volk voor dit feest bijeenriep. Zo at Saul die dag bij Samuël;
25彼らが高き所から町に下って来た時、サムエルは屋上でサウルと語り合った。
25daarna daalden zij van de hoogte naar de stad af. Men spreidde voor Saul een bed op het terras,
26彼らは朝早く起きた。夜明けごろ、サムエルは屋上でサウルを呼んで、「起きなさい、あなたを送り出そう」と言った。サウルは起き上がり、彼とサムエルの二人は外へ出て行った。
26en hij ging slapen. Zodra de morgen was aangebroken, riep Samuël tot Saul, die op het terras was: Sta op, dan kan ik u uitgeleide doen. Saul stond dus op, en ging vergezeld van Samuël naar buiten.
27彼らが町の外れまで下って行った時、サムエルはサウルに言った。「若者に、私たちの先を行くように言いなさい。」若者は先に行った。「しかし、あなたはしばらく立ち止まりなさい。わたしがあなたに神の言葉を聞かせるためである。」
27Toen ze tot het einde der stad waren afgedaald, sprak Samuël tot Saul: Zeg tegen den knecht, dat hij ons vooruit moet lopen. Blijf zelf een ogenblik stil staan, dan zal ik u Gods woord verkondigen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.