3 Mojžíšova 18
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I mluvil Hospodin k Mojžíšovi, řka:
1Jahweh sprak tot Moses:
2Mluv synům Izraelským a rci jim: Já jsem Hospodin Bůh váš.
2Beveel de kinderen Israëls, en zeg hun: Ik ben Jahweh, uw God!
3Vedlé skutků země Egyptské, v níž jste bydlili, nečiňte, ani podlé skutků země Kananejské, do kteréž já vás uvozuji, činiti budete, a v ustanoveních jejich nechoďte.
3Gij moogt u niet gedragen naar de zeden van Egypte, waar gij gewoond hebt, noch naar die van Kanaän, waar Ik u heenvoer; naar hun zeden moogt ge niet leven.
4Soudy mé čiňte a ustanovení mých ostříhejte, abyste chodili v nich: Já jsem Hospodin Bůh váš.
4Mijn wetten moet ge volbrengen, mijn voorschriften onderhouden, en uw gedrag daarnaar richten. Ik ben Jahweh, uw God!
5Ostříhejte ustanovení mých a soudů mých. Èlověk ten, kterýž by je činil, živ bude v nich: Já jsem Hospodin.
5Onderhoudt dus mijn voorschriften en mijn wetten. De mens, die ze volbrengt, zal daardoor het leven behouden. Ik ben Jahweh.
6Nižádný člověk k žádné přítelkyni krevní nepřistupuj k obnažení hanby její: Já jsem Hospodin.
6Niemand van u mag zijn naasten bloedverwant naderen, om er gemeenschap mee te houden. Ik ben Jahweh!
7Hanby otce svého a matky své neodkryješ; matka tvá jest, neodkryješ hanby její.
7Gij moogt geen gemeenschap houden met uw vader, evenmin met uw moeder; want zij is uw moeder; met haar moogt gij dus geen gemeenschap hebben.
8Hanby ženy otce svého neodkryješ; nebo hanba otce tvého jest.
8Ge moogt geen gemeenschap houden met de vrouw van uw vader; want dan onteert ge uw vader.
9Hanby sestry své, dcery otce svého aneb dcery matky své, kteráž doma zplozena aneb vně zplozena jest, neodkryješ hanby jejich.
9Ge moogt geen gemeenschap houden met uw zuster, de dochter van uw vader of die van uw moeder, onverschillig of zij in of buiten uw familie geboren is.
10Hanby vnučky své, buď po synu neb dceři své, neodkryješ; nebo hanba tvá jsou.
10Ge moogt geen gemeenschap houden met de dochter van uw zoon of met die van uw dochter; want dan onteert ge uzelf.
11Hanby dcery manželky otce svého, kteráž jest zplozena od otce tvého, tvá sestra jest, neodkryješ hanby její.
11Gij moogt geen gemeenschap houden met de dochter van uws vaders vrouw, die door uw vader is verwekt; zij geldt voor uw zuster; houd geen gemeenschap met haar.
12Hanby sestry otce svého neodkryješ; nebo krevní přítelkyně otce tvého jest.
12Gij moogt geen gemeenschap houden met de zuster van uw vader; zij is de naaste bloedverwant van uw vader.
13Hanby sestry matky své neodkryješ; nebo krevní přítelkyně matky tvé jest.
13Gij moogt geen gemeenschap houden met de zuster van uw moeder; want zij is de naaste bloedverwant van uw moeder.
14Hanby bratra otce svého neodkryješ; k manželce jeho nevejdeš, stryna tvá jest.
14Gij moogt geen gemeenschap houden met den broeder van uw vader. Ook zijn vrouw moogt ge niet naderen; zij is uw tante.
15Hanby nevěsty své neodkryješ; manželka jest syna tvého, neodkryješ hanby její.
15Gij moogt geen gemeenschap houden met uw schoondochter; zij is de vrouw van uw zoon; houd geen gemeenschap met haar.
16Hanby manželky bratra svého neodkryješ; nebo hanba bratra tvého jest.
16Gij moogt geen gemeenschap houden met de vrouw van uw broer; want dan onteert ge uw broer.
17Hanby ženy a dcery její neodkryješ. Vnučky její po synu neb po dceři její nepojmeš, abys odkryl hanbu její; nebo krevní jsou, a nešlechetnost jest.
17Ge moogt geen gemeenschap houden met een vrouw en tegelijk met haar dochter; evenmin moogt ge de dochter van haar zoon of die van haar dochter nemen, om gemeenschap met haar te houden; ze zijn uw bloedverwanten; zo iets is een schanddaad.
18Nevezmeš sobě ženy k ženě první, abys ssoužil ji, odkrývaje hanbu její za života jejího.
18Gij moogt geen vrouw als bijvrouw naast haar zuster nemen, om ook met haar gemeenschap te houden, terwijl de andere nog leeft.
19Také k ženě, když jest v své nemoci nečisté, nepřistoupíš, odkrývaje hanbu její.
19Gij moogt een vrouw, die door haar stonden onrein is, niet naderen, om gemeenschap met haar te houden.
20S manželkou bližního svého nebudeš obcovati, poškvrňuje se s ní.
20Gij moogt niet slapen bij de vrouw van uw naaste; daardoor verontreinigt gij u.
21Nedopustíš, aby kdo z semene tvého proveden byl skrze oheň modly Moloch, abys nepoškvrnil jména Boha svého: Já jsem Hospodin.
21Geen van uw kinderen zult ge afstaan, om ze aan den Molok te wijden; want ge moogt de naam van uw God niet ontheiligen. Ik ben Jahweh!
22Nebudeš obcovati s mužským pohlavím, scházeje se s ním jako s ženou; nebo ohavnost jest.
22Gij moogt niet bij een man liggen als bij een vrouw, dit is een gruweldaad.
23A s žádným hovadem nebudeš obcovati, poškvrňuje se s ním; ani žena nepoddá se hovadu, aby s ním obývala; nebo mrzkost jest.
23Gij moogt geen enkel dier misbruiken; daardoor bezoedelt ge u. Ook zal geen vrouw zich door een dier laten schenden; dit is tegennatuurlijke ontucht.
24A protož nepoškvrňujtež se žádnou touto věcí; nebo těmito všemi věcmi poškvrnili se pohané, kteréž já vyvrhu od tváři vaší.
24Bezoedelt u dus niet door dit alles. Want door al deze dingen zijn de volken besmeurd, die Ik voor u zal uitdrijven;
25Nebo poškvrnila se země, a navštívím nepravost její na ní, a vyvrátí země obyvatele své.
25zo is het land verpest geworden, heb Ik zijn misdaad gewroken, en heeft het land zijn bewoners uitgespuwd.
26Ale vy ostříhejte ustanovení mých a soudů mých, a nečiňte nižádných ohavností těchto, tak domácí jako příchozí, kterýž jest pohostinu u prostřed vás.
26Onderhoudt dus mijn voorschriften en wetten en laat niemand van de ingezetenen noch van de vreemdelingen, die in uw midden wonen, een van al die schanddaden bedrijven.
27(Nebo všecky ty ohavnosti činili lidé země té, kteříž byli před vámi, čímž poškvrněna jest země.)
27Want al die gruwelen werden bedreven door die vóór u het land bewoonden, en het land is verpest geworden.
28Aby nevyvrátila vás země, proto že byste jí poškvrnili, jako vyvrátila národ, kterýž byl před vámi.
28Laat het land ook u niet uitspuwen, omdat ge het bezoedelt, zoals het de volken heeft uitgespuwd, die er vóór u hebben gewoond.
29Nebo kdož by koli dopustil se některé ze všech ohavností těch: duše zajisté, kteréž by činily to, vyhlazeny budou z prostředku lidu svého.
29Waarachtig allen, die zo iets schandelijks bedrijven, zullen van hun volk worden afgesneden.
30Protož ostříhejte přikázání mých, abyste nečinili ničeho z obyčejů ohavných, kteříž činěni jsou před vámi, aniž sebe jimi poškvrňujte: Já jsem Hospodin Bůh váš.
30Onderhoudt dus mijn geboden; gedraagt u niet naar die liederlijke zeden, waarnaar men vóór u heeft geleefd, en bezoedelt u daar niet mee. Ik ben Jahweh, uw God!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.