ΛΕΥΙΤΙΚΟΝ
Chapter 18
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΛΕΥΙΤΙΚΟΝ 18

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν, λέγων,
1Jahweh sprak tot Moses:
2λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ, καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοὺς, ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
2Beveel de kinderen Israëls, en zeg hun: Ik ben Jahweh, uw God!
3Κατὰ τὰ ἐπιτηδεύματα Αἰγύπτου, ἐν ᾗ κατῳκήσατε ἐπʼ αὐτῇ, οὐ ποιήσετε· καὶ κατὰ τὰ ἐπιτηδεύματα γῆς Χαναὰν, εἰς ἣν ἐγὼ εἰσάγω ὑμᾶς ἐκεῖ, οὐ ποιήσετε, καὶ τοῖς νομίμοις αὐτῶν οὐ πορεύσεσθε.
3Gij moogt u niet gedragen naar de zeden van Egypte, waar gij gewoond hebt, noch naar die van Kanaän, waar Ik u heenvoer; naar hun zeden moogt ge niet leven.
4Τὰ κρίματά μου ποιήσετε, καὶ τὰ προστάγματά μου φυλάξεσθε, καὶ πορεύεσθε ἐν αὐτοῖς· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
4Mijn wetten moet ge volbrengen, mijn voorschriften onderhouden, en uw gedrag daarnaar richten. Ik ben Jahweh, uw God!
5Καὶ φυλάξεσθε πάντα τὰ προστάγματά μου, καὶ πάντα τὰ κρίματά μου, καὶ ποιήσετε αὐτά· ἃ ποιήσας αὐτὰ ἄνθρωπος, ζήσεται ἐν αὐτοῖς· ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
5Onderhoudt dus mijn voorschriften en mijn wetten. De mens, die ze volbrengt, zal daardoor het leven behouden. Ik ben Jahweh.
6Ἄνθρωπος ἄνθρωπος πρὸς πάντα οἰκεῖα σαρκὸς αὐτοῦ οὐ προσελεύσεται ἀποκαλύψαι ἀσχημοσύνην· ἐγὼ Κύριος.
6Niemand van u mag zijn naasten bloedverwant naderen, om er gemeenschap mee te houden. Ik ben Jahweh!
7Ἀσχημοσύνην πατρός σου καὶ ἀσχημοσύνην μητρός σου οὐκ ἀποκαλύψεις, μήτηρ γάρ σου ἐστὶν, οὐκ ἀποκαλύψεις τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῆς.
7Gij moogt geen gemeenschap houden met uw vader, evenmin met uw moeder; want zij is uw moeder; met haar moogt gij dus geen gemeenschap hebben.
8Ἀσχημοσύνην γυναικὸς πατρός σου οὐκ ἀποκαλύψεις, ἀσχημοσύνη πατρός σου ἐστίν.
8Ge moogt geen gemeenschap houden met de vrouw van uw vader; want dan onteert ge uw vader.
9Ἀσχημοσύνην τῆς ἀδελφῆς σου ἐκ πατρός σου ἢ ἐκ μητρός σου, ἐνδογενοῦς ἢ γεγεννημένης ἔξω, οὐκ ἀποκαλύψεις ἀσχημοσύνην αὐτῶν.
9Ge moogt geen gemeenschap houden met uw zuster, de dochter van uw vader of die van uw moeder, onverschillig of zij in of buiten uw familie geboren is.
10Ἀσχημοσύνην θυγατρὸς υἱοῦ σου, ἢ θυγατρὸς θυγατρός σου, οὐκ ἀποκαλύψεις τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῶν, ὅτι σὴ ἀσχημοσύνη ἐστίν.
10Ge moogt geen gemeenschap houden met de dochter van uw zoon of met die van uw dochter; want dan onteert ge uzelf.
11Ἀσχημοσύνην θυγατρὸς γυναικὸς πατρός σου οὐκ ἀποκαλύψεις, ὁμοπατρία ἀδελφή σου ἐστὶν, οὐκ ἀποκαλύψεις τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῆς.
11Gij moogt geen gemeenschap houden met de dochter van uws vaders vrouw, die door uw vader is verwekt; zij geldt voor uw zuster; houd geen gemeenschap met haar.
12Ἀσχημοσύνην ἀδελφῆς πατρός σου οὐκ ἀποκαλύψεις, οἰκεία γὰρ πατρός σου ἐστιν.
12Gij moogt geen gemeenschap houden met de zuster van uw vader; zij is de naaste bloedverwant van uw vader.
13Ἀσχημοσύνην ἀδελφῆς μητρός σου οὐκ ἀποκαλύψεις, οἰκεία γὰρ μητρός σου ἐστίν.
13Gij moogt geen gemeenschap houden met de zuster van uw moeder; want zij is de naaste bloedverwant van uw moeder.
14Ἀσχημοσύνην ἀδελφοῦ τοῦ πατρός σου οὐκ ἀποκαλύψεις, καὶ πρὸς τὴν γυναῖκα αὐτοῦ οὐκ εἰσελεύσῃ, συγγενὴς γάρ σου ἐστίν.
14Gij moogt geen gemeenschap houden met den broeder van uw vader. Ook zijn vrouw moogt ge niet naderen; zij is uw tante.
15Ἀσχημοσύνην νύμφης σου οὐκ ἀποκαλύψεις, γυνὴ γὰρ υἱοῦ σου ἐστὶν, οὐκ ἀποκαλύψεις τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῆς.
15Gij moogt geen gemeenschap houden met uw schoondochter; zij is de vrouw van uw zoon; houd geen gemeenschap met haar.
16Ἀσχημοσύνην γυναικὸς ἀδελφοῦ σου οὐκ ἀποκαλύψεις, ἀσχημοσύνη ἀδελφοῦ σου ἐστίν.
16Gij moogt geen gemeenschap houden met de vrouw van uw broer; want dan onteert ge uw broer.
17Ἀσχημοσύνην γυναικὸς καὶ θυγατρὸς αὐτῆς οὐκ ἀποκαλύψεις· τὴν θυγατέρα τοῦ υἱοῦ αὐτῆς, καὶ τὴν θυγατέρα τῆς θυγατρὸς αὐτῆς οὐ λήψῃ ἀποκαλύψαι τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῶν, οἰκεῖαι γάρ σου εἰσίν· ἀσέβημα ἐστι.
17Ge moogt geen gemeenschap houden met een vrouw en tegelijk met haar dochter; evenmin moogt ge de dochter van haar zoon of die van haar dochter nemen, om gemeenschap met haar te houden; ze zijn uw bloedverwanten; zo iets is een schanddaad.
18Γυναῖκα ἐπʼ ἀδελφῇ αὐτῆς οὐ λήψῃ ἀντίζηλον ἀποκαλύψαι τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῆς ἐπʼ αὐτῇ, ἔτι ζώσης αὐτῆς.
18Gij moogt geen vrouw als bijvrouw naast haar zuster nemen, om ook met haar gemeenschap te houden, terwijl de andere nog leeft.
19Καὶ πρὸς γυναῖκα ἐν χωρισμῷ ἀκαθαρσίας αὐτῆς οὐκ εἰσελεύσῃ ἀποκαλύψαι τὴν ἀσχημοσύνην αὐτῆς.
19Gij moogt een vrouw, die door haar stonden onrein is, niet naderen, om gemeenschap met haar te houden.
20Καὶ πρὸς τὴν γυναῖκα τοῦ πλησίον σου οὐ δώσεις κοίτην σπέρματός σου, ἐκμιανθῆναι πρὸς αὐτήν.
20Gij moogt niet slapen bij de vrouw van uw naaste; daardoor verontreinigt gij u.
21Καὶ ἀπὸ τοῦ σπέρματός σου οὐ δώσεις λατρεύειν ἄρχοντι· καὶ οὐ βεβηλώσεις τὸ ὄνομα τὸ ἅγιον· ἐγὼ Κύριος.
21Geen van uw kinderen zult ge afstaan, om ze aan den Molok te wijden; want ge moogt de naam van uw God niet ontheiligen. Ik ben Jahweh!
22Καὶ μετὰ ἄρσενος οὐ κοιμηθήσῃ κοίτην γυναικείαν, βδέλυγμα γάρ ἐστι.
22Gij moogt niet bij een man liggen als bij een vrouw, dit is een gruweldaad.
23Καὶ πρὸς πᾶν τετράπουν οὐ δώσεις τὴν κοίτην σου εἰς σπερματισμὸν, ἐκμιανθῆναι πρὸς αὐτό· καὶ γυνὴ οὐ στήσεται πρὸς πᾶν τετράπουν βιβασθῆναι· μυσαρὸν γάρ ἐστι.
23Gij moogt geen enkel dier misbruiken; daardoor bezoedelt ge u. Ook zal geen vrouw zich door een dier laten schenden; dit is tegennatuurlijke ontucht.
24Μὴ μιαίνεσθε ἐν πᾶσι τούτοις· ἐν πᾶσι γὰρ τούτοις ἐμίανθησαν τὰ ἔθνη, ἃ ἐγὼ ἐξαποστέλλω πρὸ προσώπου ὑμῶν,
24Bezoedelt u dus niet door dit alles. Want door al deze dingen zijn de volken besmeurd, die Ik voor u zal uitdrijven;
25καὶ ἐξεμιάνθη ἡ γῆ καὶ ἀνταπέδωκα ἀδικίαν αὐτοῖς διʼ αὐτὴν, καὶ προσώχθισεν ἡ γῆ τοῖς ἐγκαθημένοις ἐπʼ αὐτῆς.
25zo is het land verpest geworden, heb Ik zijn misdaad gewroken, en heeft het land zijn bewoners uitgespuwd.
26Καὶ φυλάξεσθε πάντα τὰ νόμιμά μου, καὶ πάντα τὰ προστάγματά μου, καὶ οὐ ποιήσετε ἀπὸ πάντων τῶν βδελυγμάτων τούτων ὁ ἐγχώριος, καὶ ὁ προσγενόμενος προσήλυτος ἐν ὑμῖν·
26Onderhoudt dus mijn voorschriften en wetten en laat niemand van de ingezetenen noch van de vreemdelingen, die in uw midden wonen, een van al die schanddaden bedrijven.
27(Πάντα γὰρ τὰ βδελύγματα ταῦτα ἐποίησαν οἱ ἄνθρωποι τῆς γῆς, οἱ ὄντες πρότερον ὑμῶν, καὶ ἐμιάνθη ἡ γῆ·)
27Want al die gruwelen werden bedreven door die vóór u het land bewoonden, en het land is verpest geworden.
28καὶ ἵνα μὴ προσοχθίσῃ ὑμῖν ἡ γῆ ἐν τῷ μιαίνειν ὑμᾶς αὐτὴν, ὃν τρόπον προσώχθισε τοῖς ἔθνεσι τοῖς πρὸ ὑμῶν.
28Laat het land ook u niet uitspuwen, omdat ge het bezoedelt, zoals het de volken heeft uitgespuwd, die er vóór u hebben gewoond.
29Ὅτι πᾶς ὃς ἐὰν ποιήσῃ ἀπὸ πάντων τῶν βδελυγμάτων τούτων, ἐξολοθρευθήσονται αἱ ψυχαὶ αἱ ποιοῦσαι ἐκ τοῦ λαοῦ αὐτῶν.
29Waarachtig allen, die zo iets schandelijks bedrijven, zullen van hun volk worden afgesneden.
30Καὶ φυλάξετε τὰ προστάγματά μου, ὅπως μὴ ποιήσητε ἀπὸ πάντων τῶν νομίμων τῶν ἐβδελυγμένων, ἃ γέγονε πρὸ τοῦ ὑμᾶς· καὶ οὐ μιανθήσεσθε ἐν αὐτοῖς, ὅτι ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
30Onderhoudt dus mijn geboden; gedraagt u niet naar die liederlijke zeden, waarnaar men vóór u heeft geleefd, en bezoedelt u daar niet mee. Ik ben Jahweh, uw God!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.