Skutky apoštolské 20
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Když pak přestala ta bouřka, povolav Pavel učedlníků a požehnav jich, vyšel odtud, aby se bral do Macedonie.
1Toen het tumult was bedaard, riep Paulus de leerlingen bijeen; hij vermaande hen, nam afscheid en vertrok naar Macedónië.
2A když prošel krajiny ty, a napomenutí jim učiniv mnohými řečmi, přišel do země Řecké,
2Hij reisde die streken door, en vermaande de broeders door talrijke toespraken; daarna begaf hij zich naar Griekenland,
3V kteréžto pobyv za tři měsíce, (kdežto Židé učinili jemu zálohy,) když se měl plaviti do Syrie, umínil navrátiti se skrze Macedonii.
3waar hij drie maanden bleef. Toen hij zich naar Syrië wilde inschepen, legden de Joden hem een hinderlaag; daarom besloot hij, om over Macedónië terug te keren.
4I šel s ním Sópater Berienský až do Azie, a z Tessalonicenských Aristarchus a Sekundus a Gáius Derbeus a Timoteus, z Azianských pak Tychikus a Trofimus.
4Als reisgezellen had hij een Bereër Sópater, den zoon van Pyrrus, Aristarchus en Secundus van Tessalonika, Cajus van Derbe, Timóteus, en de Asiaten Túchicus en Trófimus;
5Ti všickni šedše napřed, dočkali nás v Troadě.
5maar zij reisden vooruit, en wachtten ons te Troas op.
6My pak plavili jsme se po velikonoci z Filippis, a přišli jsme k nim do Troady v pěti dnech, a tu jsme pobyli za sedm dní.
6Wijzelf scheepten ons na de dagen der ongedesemde broden te Filippi in, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, waar we zeven dagen bleven.
7Tedy první den po sobotě, když se učedlníci sešli k lámání chleba, Pavel mluvil k nim, maje nazejtří jíti pryč, i prodlil řečí až do půlnoci.
7Toen we op de eerste dag van de week bijeen waren gekomen, om brood te breken, hield Paulus, die de volgende morgen moest vertrekken, een toespraak tot hen, en rekte zijn rede tot middernacht.
8A bylo mnoho světel tu na té síni, kdež byli shromážděni.
8Er brandden veel lampen in de opperzaal, waar we vergaderd waren.
9Jeden pak mládenec, jménem Eutychus, sedě na okně, jsa obtížen hlubokým snem, když tak dlouho Pavel kázal, spě, spadl s třetího ponebí dolů, a vzat jest mrtvý.
9Een jongeman, Éutuchus genaamd, was in het venster gaan zitten. Toen nu Paulus zo lang bleef spreken, kreeg hij geweldige slaap; en door slaap overmand, viel hij van de derde verdieping naar beneden, en werd dood opgenomen.
10I sstoupiv dolů Pavel, zpolehl na něj, a objav jej, řekl: Nermuťtež se, však duše jeho v něm jest.
10Maar Paulus ging naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg zijn armen om hem heen, en zeide: Verontrust u niet; want zijn ziel is in hem.
11A vstoupiv zase na síň, lámal chléb a jedl, a kázání jim učiniv dlouho až do svitání, tak odšel pryč.
11Hij ging weer naar boven, brak en at het brood, en sprak nog lange tijd tot aan de dageraad toe; toen vertrok hij.
12I přivedli toho mládence živého, a byli nad tím velice potěšeni.
12Ze brachten den jongeman levend naar huis, en waren niet weinig vertroost.
13My pak vstoupivše na lodí, plavili jsme se do Asson, odtud majíce k sobě vzíti Pavla; neb jest byl tak poručil, maje sám jíti po zemi.
13Wijzelf gingen per schip vooruit, en stevenden naar Assus, om Paulus daar op te nemen; want zo had hij het beschikt, omdat hij zelf over land wilde gaan.
14A když se k nám připojil v Asson, vzavše jej, přijeli jsme do Mitylénu.
14Toen hij ons te Assus getroffen had, namen we hem aan boord, en vertrokken naar Mitulene.
15A odtud plavíce se, druhý den byli jsme proti Chium, a třetího dne přistavili jsme bárku k Sámu, a pobyvše v Trogyllí, nazejtří přišli jsme do Milétu.
15Vandaar zeilden we verder, en kwamen de volgende dag op de hoogte van Chios. Daags daarna bereikten we Samos, en de dag daarop kwamen we te Milete aan.
16Nebo Pavel byl umínil pominouti Efez, aby se nemeškal v Azii; nebo pospíchal, by možné bylo, aby byl o letnicích v Jeruzalémě.
16Want Paulus had besloten, Éfese voorbij te varen, om geen tijd’ in Azië te verliezen, daar hij zich haastte, om zo mogelijk met Pinksteren te Jerusalem te zijn.
17Tedy z Milétu poslav do Efezu, povolal k sobě starších církve.
17Maar van Milete uit zond hij iemand naar Éfese, om de priesters van de gemeente te ontbieden.
18Kteřížto když přišli k němu, řekl jim: Vy víte od prvního dne, v kterýžto přišel jsem do Azie, kterak jsem po všecken ten čas s vámi byl,
18En toen ze waren aangekomen, sprak hij hen toe: Gij weet, hoe ik, van de eerste dag af, dat ik in Azië kwam, mij steeds onder u heb gedragen;
19Slouže Pánu se vší pokorou i s mnohými slzami a pokušeními, kteráž na mne přicházela z úkladů Židovských.
19hoe ik den Heer met alle ootmoedigheid heb gediend, onder tranen en onder beproevingen, die mij overkwamen door de aanslagen der Joden;
20Kterak jsem ničehož nepominul, což by vám užitečného bylo, abych vám toho neoznámil, ale učil jsem vás vůbec zjevně i po domích,
20hoe ik niet heb nagelaten, alles wat nuttig was, u te verkondigen, en het u te onderwijzen in het openbaar en te huis;
21Svědectví vydávaje i Židům i Řekům o pokání k Bohu a o víře v Pána našeho Ježíše Krista.
21hoe ik bij Joden en heidenen getuigd heb voor de bekering tot God, en voor het geloof in onzen Heer Jesus Christus.
22A aj, nyní já sevřín jsa duchem, beru se do Jeruzaléma, nevěda, co mi se v něm má státi,
22Zie, nu ben ik vast besloten, naar Jerusalem te gaan. Ik weet niet, wat mij daar zal overkomen,
23Než že Duch svatý po městech, kudyž jsem šel, osvědčuje mi, pravě, že vězení a soužení mne očekávají.
23maar wel, dat de Heilige Geest van stad tot stad mij betuigt, dat mij boeien en verdrukkingen wachten.
24Však já nic na to nedbám, aniž jest mi tak drahá duše má, jen abych běh svůj s radostí vykonal a přisluhování, kteréž jsem přijal od Pána Ježíše, k osvědčování evangelium milosti Boží.
24Maar zelf hecht ik aan mijn leven geen waarde, zo ik maar mijn taak mag volbrengen, en de bediening, die ik van den Heer Jesus ontving, om voor het evangelie van Gods genade te getuigen.
25A aj, já nyní vím, že již více neuzříte tváři mé vy všickni, mezi kterýmiž jsem chodil, káže o království Božím.
25Zie, thans weet ik, dat gij mij niet weerziet gij allen, onder wie ik rondging, om het koninkrijk Gods te verkondigen.
26Protož osvědčujiť vám dnešní den, žeť jsem čist od krve všech.
26Daarom betuig ik u heden, dat ik rein ben van uw aller bloed
27Nebť jsem neobmeškal zvěstovati vám všeliké rady Boží.
27want ik heb niet nagelaten, u in zijn volle omvang Gods wil te doen kennen.
28Buďtež tedy sebe pilni i všeho stáda, v němžto Duch svatý ustanovil vás biskupy, abyste pásli církev Boží, kteréž sobě dobyl svou vlastní krví.
28Geeft acht op uzelf, en op heel de kudde, waarover de Heilige Geest u als bewakers gesteld heeft, om Gods Kerk te besturen, die Hij zich door zijn eigen bloed heeft verworven.
29Nebo já to jistotně vím, že po mém odjití vejdou mezi vás vlci hltaví, kteříž nebudou odpouštěti stádu.
29Ik weet, dat na mijn heengaan wrede wolven onder u zullen komen, die de kudde niet sparen
30A z vás samých povstanou muži, jenž budou mluviti převrácené věci, aby obrátili učedlníky po sobě.
30en dat uit uw eigen midden mannen zullen opstaan, die verkeerde dingen leren, om de leerlingen met zich mee te slepen.
31Protož bděte, v paměti majíce, že jsem po tři léta nepřestával dnem i nocí s pláčem napomínati jednoho každého z vás.
31Weest daarom waakzaam, en blijft er aan denken, hoe ik drie jaren lang niet gerust heb, nacht en dag onder tranen ieder van u te vermanen.
32A již nyní, bratří, poroučím vás Bohu a slovu milosti jeho, kterýžto mocen jest vzdělati vás, a dáti vám dědictví mezi všemi posvěcenými.
32En thans beveel ik u aan den Heer, en aan het woord zijner genade; aan Hem, die machtig is, om de bouw te voltooien, en u te midden van alle heiligen het erfdeel te schenken.
33Stříbra nebo zlata neb roucha nežádal jsem od žádného.
33Ik heb niemands zilver, goud of kleding begeerd.
34Nýbrž sami víte, že toho, čehož mi kdy potřebí bylo, i těm, kteříž jsou se mnou, dobývaly ruce tyto.
34Gij weet het zelf, dat deze handen hebben gearbeid voor mijn eigen behoeften en voor mijn gezellen.
35Vše ukázal jsem vám, že tak pracujíce, musíme snášeti mdlé, a pamatovati na slova Pána Ježíše; nebť on řekl: Blahoslaveněji jest dáti nežli bráti.
35In ieder opzicht heb ik u getoond, dat men zó arbeiden moet, om de zwakken te steunen, en de woorden van den Heer Jesus indachtig te zijn, die zelf heeft gezegd “Het is zaliger te geven dan te ontvangen”.
36A to pověděv, klekna na kolena svá, modlil se s nimi se všemi.
36Toen hij dit had gezegd, boog hij zijn knieën, en bad met hen allen.
37I stal se pláč veliký ode všech, a padajíce na hrdlo Pavlovo, líbali jej,
37En allen begonnen luide te wenen, vielen Paulus om de hals, en omhelsden hem teder;
38Rmoutíce se nejvíce nad tím slovem, kteréž řekl, že by již více neměli tváři jeho viděti. I provodili jej až k lodí.
38ze waren vooral bedroefd, omdat hij gezegd had, dat ze hem niet zouden weerzien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.