Skutky apoštolské
Chapter 9
Kralice Bible (1613)

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Skutky apoštolské 9

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Saul pak ještě dychtě po pohrůžkách a po mordu proti učedlníkům Páně, šel k nejvyššímu knězi,
1Intussen ziedde Saul nog altijd van dreigementen en moordlust tegen de leerlingen des Heren. Hij ging naar den hogepriester,
2A vyžádal od něho listy do Damašku do škol, nalezl-li by tam té cesty které muže nebo ženy, aby svázané přivedl do Jeruzaléma.
2en vroeg hem brieven voor de synagogen te Damascus, om alle lieden van dit soort, mannen als vrouwen, geboeid naar Jerusalem te voeren.
3A když byl na cestě, stalo se, že již přibližoval se k Damašku. Tedy pojednou rychle obklíčilo jej světlo s nebe.
3Maar toen hij op zijn reis Damascus naderde, bliksemde eensklaps een licht uit de hemel om hem heen.
4A padna na zem, uslyšel hlas řkoucí: Saule, Saule, proč mi se protivíš?
4Hij viel op de grond, en hoorde een stem, die hem zeide: Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij?
5A on řekl: I kdo jsi, Pane? A Pán řekl: Já jsem Ježíš, jemuž ty se protivíš. Tvrdoť jest tobě proti ostnům se zpěčovati.
5Hij sprak: Wie zijt Gij Heer? En de stem: Ik ben Jesus, dien gij vervolgt; (het valt u hard terug te slaan tegen de prikkel
6A on třesa se a boje se, řekl: Pane, co chceš, abych činil? A Pán k němu: Vstaň a jdi do města, a bude tobě povědíno, co bys ty měl činiti.
6Sidderend van angst zeide hij: Heer, wat wilt Gij, dat ik doe? En de Heer zeide tot hem:) Sta op, en ga naar de stad; daar zal men u zeggen, wat ge moet doen.
7Ti pak muži, kteříž šli za ním, stáli, ohromeni jsouce, hlas zajisté slyšíce, ale žádného nevidouce.
7De mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos van verbazing; want ze hoorden wel de stem maar zagen niemand.
8I vstal Saul z země, a otevřev oči své, nic neviděl. Tedy pojavše ho za ruce, uvedli jej do Damašku.
8Nu stond Saul op van de grond; maar al waren zijn ogen open, hij zag niets. Men leidde hem dus bij de hand, en bracht hem naar Damascus.
9I byl tu za tři dni nevida, a nejedl nic, ani nepil.
9Hij bleef er drie dagen zonder te zien; hij at niet en dronk niet.
10Byl pak jeden učedlník apoštolský v Damašku, jménem Ananiáš. I řekl k němu Pán u vidění: Ananiáši. A on řekl: Aj, já, Pane.
10Te Damascus woonde een leerling, Ananias genaamd. De Heer sprak tot hem in een visioen: Ananias. Hij antwoordde: Hier ben ik, Heer.
11A Pán k němu: Vstaň a jdi do ulice, kteráž slove Přímá, a hledej v domě Judově Saule, jménem Tarsenského. Nebo aj, modlí se,
11De Heer zeide hem: Sta op, en ga naar de straat, de Rechte genaamd, en vraag in het huis van Judas naar een man uit Tarsus Saul geheten. Zie, hij is in gebed,
12A viděl u vidění muže, Ananiáše jménem, an jde k němu, a vzkládá naň ruku, aby zrak přijal.
12en hij heeft een man zien binnenkomen, die Ananias heet, en hem de handen oplegt, om hem weer te doen zien.
13I odpověděl Ananiáš: Pane, slyšel jsem od mnohých o tom muži, kterak mnoho zlého činil svatým tvým v Jeruzalémě.
13Maar Ananias antwoordde: Heer, ik heb van velen gehoord, hoeveel kwaad die man uw heiligen te Jerusalem heeft berokkend.
14A i zdeť má moc od předních kněží, aby jímal všecky, kteříž vzývají jméno tvé.
14En hij is hier met een volmacht van de opperpriesters, om allen, die uw Naam aanroepen, in boeien te slaan.
15I řekl jemu Pán: Jdi, neboť on jest má nádoba vyvolená, aby nosil jméno mé před pohany i krále, i před syny Izraelské.
15Maar de Heer sprak tot hem: Ga. Want die man is Mij een uitverkoren werktuig, om mijn Naam te verkondigen voor volkeren en vorsten, en Israëls zonen;
16Jáť zajisté ukáži jemu, kterak on mnoho musí trpěti pro jméno mé.
16en Ikzelf zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet voor mijn Naam.
17I šel Ananiáš, a všel do toho domu, a vloživ ruce naň, řekl: Saule bratře, Pán Ježíš poslal mne, kterýž se ukázal tobě na cestě, po níž jsi šel, abys zrak přijal a naplněn byl Duchem svatým.
17Nu ging Ananias heen, trad het huis binnen, legde hem de handen op, en sprak: Broeder Saul, de Heer Jesus, die u onderweg is verschenen, heeft mij gezonden, opdat ge weer zien moogt, en vervuld moogt worden van den Heiligen Geest.
18A hned spadly s očí jeho jako lupiny, a on prohlédl pojednou; a vstav, pokřtěn jest.
18Aanstonds vielen hem, om zo te zeggen, de schillen van de ogen, en hij zag weer. Hij stond op, en werd gedoopt.
19A přijav pokrm, posilnil se. I zůstal Saul s učedlníky, kteříž byli v Damašku, za několiko dní.
19Toen nam hij voedsel, en kwam weer op krachten. Nu bleef hij enige dagen bij de leerlingen te Damascus,
20A hned v školách kázal Krista, pravě, že on jest Syn Boží.
20en aanstonds begon hij in de synagogen te preken, dat Jesus Gods Zoon is.
21I divili se náramně všickni, kteříž jej slyšeli, a pravili: Zdaliž toto není ten, jenž hubil v Jeruzalémě ty, kteříž vzývali jméno toto, a sem na to přišel, aby je svázané vedl k předním kněžím?
21Allen die het hoorden, stonden verbaasd, en zeiden: Is dat niet de man, die te Jerusalem allen trachtte uit te roeien, die deze Naam aanroepen; en is hij niet hierheen gekomen, om ze in boeien voor de opperpriesters te slepen?
22Saul pak mnohem více se zmocňoval a zahanboval Židy, kteříž byli v Damašku, potvrzuje toho, že ten jest Kristus.
22Maar Saul trad steeds krachtiger op, en bracht de Joden, die te Damascus woonden, van hun stuk, door te bewijzen: Hij is de Christus
23A když přeběhlo drahně dnů, radu mezi sebou na tom zavřeli Židé, aby jej zabili.
23Na enige tijd spanden de Joden dan ook samen, om hem te doden.
24Ale zvěděl Saul o těch úkladech jejich. Ostříhali také i bran ve dne i v noci, aby jej zahubili.
24Hun plan werd echter aan Saul bekend. En daar ze dag en nacht wacht bij de poorten hielden, om hem te vermoorden,
25Ale učedlníci v noci vzavše ho, spustili jej po provaze přes zed v koši.
25namen de leerlingen hem op een nacht mee, en lieten hem over de stadsmuur in een mand naar beneden.
26Přišed pak Saul do Jeruzaléma, pokoušel se přitovaryšiti k učedlníkům, ale báli se ho všickni, nevěříce, by byl učedlníkem.
26Te Jerusalem aangekomen, trachtte hij zich bij de leerlingen aan te sluiten. Maar allen waren bang voor hem; want ze geloofden niet, dat hij een leerling was.
27Barnabáš pak přijav jej, vedl ho k apoštolům, a vypravoval jim, kterak na cestě viděl Pána, a že mluvil s ním, a kterak v Damašku svobodně mluvil ve jménu Ježíše.
27Doch Bárnabas nam hem bij zich op, bracht hem bij de apostelen en deelde hun mee, hoe hij onderweg den Heer had gezien en deze hem had toegesproken, en hoe hij te Damascus vrijmoedig gepreekt had in Jesus’ naam.
28I byl s nimi přebývaje v Jeruzalémě,
28Toen ging hij te Jerusalem vertrouwelijk met hen om, trad met vrijmoedigheid op in de naam des Heren,
29A směle mluvě ve jménu Pána Ježíše, a hádal se s Řeky; oni pak usilovali ho zabíti.
29en redetwistte met de hellenisten maar die zochten hem te doden.
30To zvěděvše bratří, dovedli ho do Cesaree, a poslali jej do Tarsu.
30Toen de broeders dit bemerkten, brachten ze hem naar Cesarea, en lieten hem vandaar naar Tarsus vertrekken.
31A tak sborové po všem Judstvu a Galilei i Samaří měli pokoj, vzdělávajíce se, a chodíce v bázni Páně, a rozhojňovali se potěšením Ducha svatého.
31Nu genoot de kerk vrede in heel Judea, Galilea en Samaria; steeds meer nam ze toe in de vreze des Heren, en breidde zich uit door de inspraak van den Heiligen Geest.
32Stalo se pak, že Petr, když procházel všecky sbory, přišel také k svatým, kteříž byli v Lyddě.
32Eens op een rondreis bezocht Petrus ook de heiligen die te Ludda woonden.
33I nalezl tu člověka jednoho, jménem Eneáše, již od osmi let na loži ležícího, kterýž byl šlakem poražený.
33Daar vond hij een man, Eneas genaamd. die sinds acht jaren bedlegerig was en verlamd.
34I řekl mu Petr: Eneáši, uzdravujeť tebe Ježíš Kristus; vstaň a ustel sobě. A hned vstal.
34En Petrus zeide hem: Eneas, Jesus, de Christus, geneest u; sta op, en spreid uw eigen bed. Ogenblikkelijk stond hij op.
35I viděli jej všickni, kteříž bydlili v Lyddě a v Sároně, kteříž se obrátili ku Pánu.
35Al de inwoners van Ludda en van de Sjarónvlakte zagen hem, en bekeerden zich tot den Heer.
36Byla pak jedna učedlnice v Joppen, jménem Tabita, což se vykládá Dorkas. Ta byla plná skutků dobrých a almužen, kteréž činila.
36Nu woonde er te Joppe een leerlinge, Tabita genaamd, wat Dorkas betekent; ze deed vele goede werken en gaf veel aalmoezen.
37I stalo se v těch dnech, že roznemohši se, umřela. Kteroužto umyvše, položili na síň vrchní.
37Juist in die dagen werd ze ziek en stierf; men waste haar, en legde haar in de opperzaal neer.
38A že byla blízko Lydda od Joppen, uslyšavše učedlníci, že by tam byl Petr, poslali k němu dva muže, prosíce ho, aby sobě neobtěžoval přijíti až k nim.
38Daar Ludda dicht bij Joppe ligt, en de leerlingen hadden vernomen, dat Petrus zich dáár bevond, zonden ze twee mannen naar hem toe, met het verzoek: Kom zonder uitstel naar ons over.
39Tedy vstav Petr, šel s nimi. A když přišel, vedli jej na síň. I obstoupily ho všecky vdovy, plačíce a ukazujíce sukně a pláště, kteréž jim dělala, dokudž s nimi byla, Dorkas.
39Petrus stond op, en ging met hen mee. Bij zijn aankomst bracht men hem in de opperzaal. Wenend stonden daar alle weduwen om hem heen, en toonden hem al de mantels en kleren, die Dorkas gemaakt had, toen ze nog leefde.
40I rozkázav všechněm vyjíti ven Petr, poklek na kolena, modlil se, a obrátiv se k tomu tělu, řekl: Tabito, vstaň. A ona otevřela oči své, a uzřevši Petra, posadila se.
40Petrus zond allen heen, knielde neer, en bad. Toen keerde hij zich tot de dode, en sprak: Tabita, sta op. Ze opende haar ogen, en ging overeind zitten, toen ze Petrus zag;
41A podav jí ruky Petr, pozdvihl jí; a povolav svatých a vdov, ukázal jim ji živou.
41hij reikte haar de hand, en richtte ze op. Nu riep hij de heiligen en de weduwen binnen, en plaatste haar levend in hun midden.
42I rozhlášeno jest to po všem městě Joppen, a uvěřili mnozí v Pána.
42Dit werd in heel Joppe bekend, en velen geloofden in den Heer.
43I stalo se, že za mnohé dni pozůstal Petr v Joppen u nějakého Šimona koželuha.
43Nog geruime tijd bleef hij te Joppe, bij zekeren Simon, een leerlooier.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.