Waiwa
Chapter 20
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1MORON lao dukedier, Pauluj ap molipe pena tounpadak kan, ap kotin kamurimuri on irail o kotila, pwen jailokelan Majetonien.
1Toen het tumult was bedaard, riep Paulus de leerlingen bijeen; hij vermaande hen, nam afscheid en vertrok naar Macedónië.
2A lao kakan jili jap oko, o panapanaui irail kaualap, ap kotilan wein Krik.
2Hij reisde die streken door, en vermaande de broeders door talrijke toespraken; daarna begaf hij zich naar Griekenland,
3A lao kotikot waja o jaunipon jilu, ap men kotilan Jirien, ari jo, a kotin pure don Majetonien, pwe Juj oko majamajan i.
3waar hij drie maanden bleef. Toen hij zich naar Syrië wilde inschepen, legden de Joden hem een hinderlaag; daarom besloot hij, om over Macedónië terug te keren.
4A iet akan, me likid i lel Ajien: Jopater nain Piruj men Peroa, a Arijtarkuj o Jekunduj men Tejalonik, a Kaiuj men Derpe, o Timoteuj, o Tikikuj, o Tropimuj men Ajien.
4Als reisgezellen had hij een Bereër Sópater, den zoon van Pyrrus, Aristarchus en Secundus van Tessalonika, Cajus van Derbe, Timóteus, en de Asiaten Túchicus en Trófimus;
5Mepukat tion maj ap aui kit nan Troaj.
5maar zij reisden vooruit, en wachtten ons te Troas op.
6Murin kamadip en prot jomut je jerok wei jan Pilipi, tanatanki ran limau kokola re ’rail Troaj, waja je mimi ia ran iju.
6Wijzelf scheepten ons na de dagen der ongedesemde broden te Filippi in, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, waar we zeven dagen bleven.
7A ni ran kaieu en wik. ni at pokon pena, pwen pilitiki pena prot, Pauluj ap kotin padaki on irail. A mandan ran o a pan jamala. A kotin kawarailar a padak lao lel ajlep en pon.
7Toen we op de eerste dag van de week bijeen waren gekomen, om brood te breken, hield Paulus, die de volgende morgen moest vertrekken, een toespraak tot hen, en rekte zijn rede tot middernacht.
8A lamp toto mi nan kokon waja je pokon pena ia.
8Er brandden veel lampen in de opperzaal, waar we vergaderd waren.
9A manakap amen, me ad a Eutikuj, me momod nan wanimtuk, me mair kalikala. A ni en Pauluj a padak warai, i ari mair kalikala melel, ap pupedi jan ni kajilu en kokon poa, o re pokada, a melar.
9Een jongeman, Éutuchus genaamd, was in het venster gaan zitten. Toen nu Paulus zo lang bleef spreken, kreeg hij geweldige slaap; en door slaap overmand, viel hij van de derde verdieping naar beneden, en werd dood opgenomen.
10A Pauluj me kotidi kipedi on poa o polodi i majani: Komail der mauk, pwe a memaur!
10Maar Paulus ging naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg zijn armen om hem heen, en zeide: Verontrust u niet; want zijn ziel is in hem.
11I lao kotidala o pilitiki pena prot., o konoter, o padapadak warai lao lel waja ran, ap kotilar.
11Hij ging weer naar boven, brak en at het brood, en sprak nog lange tijd tot aan de dageraad toe; toen vertrok hij.
12A irail wado manakap me maur ap pereperen kaualap.
12Ze brachten den jongeman levend naar huis, en waren niet weinig vertroost.
13A kit me madan ian jop o, tanatan kolan Ajoj, waja je pan uk ia Pauluj, pwe i me a kakalik on kit. A pein i pan japal.
13Wijzelf gingen per schip vooruit, en stevenden naar Assus, om Paulus daar op te nemen; want zo had hij het beschikt, omdat hij zelf over land wilde gaan.
14A lao tu on kit nan Ajoj, je ap uk i, tanalan Mitelene.
14Toen hij ons te Assus getroffen had, namen we hem aan boord, en vertrokken naar Mitulene.
15Kit tanatan kodo jan waja o manda je lel on likin Kioj, o manda je lele don Jamoj, o je mondi Trokilion, a manda je pwara don Miletuj.
15Vandaar zeilden we verder, en kwamen de volgende dag op de hoogte van Chios. Daags daarna bereikten we Samos, en de dag daarop kwamen we te Milete aan.
16Pwe Pauluj kileledier en dauli Epijuj, pwe a der pwapwand nan Ajien, pwe a kotin karawaru, ma a pan kak, a pan lel on Ierujalem ni ran en Pentikoj.
16Want Paulus had besloten, Éfese voorbij te varen, om geen tijd’ in Azië te verliezen, daar hij zich haastte, om zo mogelijk met Pinksteren te Jerusalem te zijn.
17A jan Miletuj a kotin ilakilan Epijuj molipe jaunkoa en momodijou kan.
17Maar van Milete uit zond hij iemand naar Éfese, om de priesters van de gemeente te ontbieden.
18Irail lao pwara don i, a kotin majani on irail: Komail aja duen ai wiawia re omail anjau karoj jan ni tapin ran o, me i lel Ajien,
18En toen ze waren aangekomen, sprak hij hen toe: Gij weet, hoe ik, van de eerste dag af, dat ik in Azië kwam, mij steeds onder u heb gedragen;
19Duen i papa Kaun o ni aktikitik, o janejan, o kamekam nan pun en Juj oko, ni ar rukiruki ia di.
19hoe ik den Heer met alle ootmoedigheid heb gediend, onder tranen en onder beproevingen, die mij overkwamen door de aanslagen der Joden;
20O duen i jota oki janer meakot me katepan, pwe i kaireki komail karoj, o padapadaki komail janjal o nan im akan.
20hoe ik niet heb nagelaten, alles wat nuttig was, u te verkondigen, en het u te onderwijzen in het openbaar en te huis;
21O i kadede on men Juj o pil men Krik kalula on Kot o pojon atail Kaun Iejuj Krijtuj.
21hoe ik bij Joden en heidenen getuigd heb voor de bekering tot God, en voor het geloof in onzen Heer Jesus Christus.
22A kilan, i ap kokodalan Ierujalem, nen i jalidi o i jaja, da me pan pid ia waja o.
22Zie, nu ben ik vast besloten, naar Jerusalem te gaan. Ik weet niet, wat mij daar zal overkomen,
23A Nen jaraui kin kotin kadede on ia nan kanim karoj, me jal akan o kamekam kin auiaui ia.
23maar wel, dat de Heilige Geest van stad tot stad mij betuigt, dat mij boeien en verdrukkingen wachten.
24Ari jo, i jota kin injenoki mepukat, i pil jota kajampwaleki maur i, pwe i en kaimwijokela ai koa dodok, me i aleer jan ren Kaun Iejuj, en kadede ronamau en mak en Kot.
24Maar zelf hecht ik aan mijn leven geen waarde, zo ik maar mijn taak mag volbrengen, en de bediening, die ik van den Heer Jesus ontving, om voor het evangelie van Gods genade te getuigen.
25A kilan, i ap ajaer, me komail karoj, me i padapadaki oner wein Kot, pan jolar udial maj ai.
25Zie, thans weet ik, dat gij mij niet weerziet gij allen, onder wie ik rondging, om het koninkrijk Gods te verkondigen.
26I me i kadede on komail ran wet, me i makelekel jan ntan komail karoj.
26Daarom betuig ik u heden, dat ik rein ben van uw aller bloed
27Pwe i padaki on komail duen kupur en Kot, o jota man meakot me i okijan komail.
27want ik heb niet nagelaten, u in zijn volle omvang Gods wil te doen kennen.
28Komail ari kalaka komail o momodijou karoj waja, me Nen jaraui kotin kajapwil komail dan jilepa ko, pwen apapwali momodijou en Kot me a kotin pwainiki pein nta.
28Geeft acht op uzelf, en op heel de kudde, waarover de Heilige Geest u als bewakers gesteld heeft, om Gods Kerk te besturen, die Hij zich door zijn eigen bloed heeft verworven.
29Pwe i ajaer, me murin ai jamalar kidi komad akai pan pwara don komail, me jota pan kajampwaleki pwin o.
29Ik weet, dat na mijn heengaan wrede wolven onder u zullen komen, die de kudde niet sparen
30A ol akai pan uda jan nan pein komail, me pan padak japun, pwen wiaki tounpadak kan pein ar warok kan.
30en dat uit uw eigen midden mannen zullen opstaan, die verkeerde dingen leren, om de leerlingen met zich mee te slepen.
31Komail ari majamajan o tamanda, me i jota dukedi, panaui amen amen, janejan ni ran ni pon jaunpar jilu.
31Weest daarom waakzaam, en blijft er aan denken, hoe ik drie jaren lang niet gerust heb, nacht en dag onder tranen ieder van u te vermanen.
32Ari, i pan mueid on komail Kot o majan en kupur a, me manaman on kapwai komail ada, o kotiki on komail jojo eu ren me jaraui kan.
32En thans beveel ik u aan den Heer, en aan het woord zijner genade; aan Hem, die machtig is, om de bouw te voltooien, en u te midden van alle heiligen het erfdeel te schenken.
33I jota noroke en amen a jilper, de kold de likau.
33Ik heb niemands zilver, goud of kleding begeerd.
34Pein komail aja, me pa i kat kin papa ia o ai warok kan.
34Gij weet het zelf, dat deze handen hebben gearbeid voor mijn eigen behoeften en voor mijn gezellen.
35I kajale on komail er meakan duen komail en dodok, pwen jauaja me luet akan o tamatamanda majan en Kaun Iejuj akan, duen a pein kotin majani: Kiki wei me kaperen jan ale.
35In ieder opzicht heb ik u getoond, dat men zó arbeiden moet, om de zwakken te steunen, en de woorden van den Heer Jesus indachtig te zijn, die zelf heeft gezegd “Het is zaliger te geven dan te ontvangen”.
36A lao kotin majanier mepukat, a kelepuki ian irail karoj kapakap.
36Toen hij dit had gezegd, boog hij zijn knieën, en bad met hen allen.
37Irail ari janejan kaualap o polodi tapin wor en Pauluj o metik i.
37En allen begonnen luide te wenen, vielen Paulus om de hals, en omhelsden hem teder;
38Re injenjuedekier kaualap a majan, me dene re jolar pan udial jilan i. Irail ari likid i koti on pon jop o.
38ze waren vooral bedroefd, omdat hij gezegd had, dat ze hem niet zouden weerzien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.