Waiwa 24
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A MURIN ran limau jamero lapalap Ananiaj kotido ianaki jaumaj akai, o jaunlokaia men, me ad a Tertuluj; irail weiwei loke Pauluj ren kopina.
1Vijf dagen later kwam de de hogepriester Ananias met enige oudsten, vergezeld van een advocaat, Tertullus genaamd, om Paulus bij den landvoogd aan te klagen.
2A lao wijikedo, Tertuluj ap pikikidi weiweiloke i indada:
2Toen deze vóórgeroepen was, begon Tertullus zijn aanklacht in deze vorm: Dat wij, dank zij u, volkomen vrede genieten, en dat door uw beleid veel verbeteringen voor dit volk tot stand zijn gekomen,
3Kit ajaer duen muein popol re omui o duen kamau toto kan on toun wei wet, pweki omui kalanan main Pelikj. O i me j e kapikapina kin komui anjau o waja karoj.
3dat, edele Felix, erkennen we met grote dankbaarheid altijd en overal.
4A i jota men kapanai komui, iet eta me i poeki re omui: Komui en kotin mani kit duen omui kalanan.
4Maar om u niet te lang op te houden, bid ik u, met uw gewone welwillendheid een ogenblik naar ons te luisteren.
5Pwe je diaradar, me ol men et me morjued o me kin kapeida Juj akan karoj, me mi jappa, o i me jaumaj en pwin likam en Najaret,
5We hebben namelijk bevonden, dat deze man een pest is; dat hij onrust stookt onder de Joden van heel de wereld; dat hij een voorman van de sekte der Nazareërs is;
6Me pil jon kajaminela im en kaudok o, i me je koledi i, pwen kadeikada, duen at kapun o.
6en dat hij zelfs heeft getracht, de tempel te ontwijden. We hebben hem dus gegrepen, en wilden hem oordelen naar onze Wet.
7A monjap Lijiaj kotin pwarado, kotiki jan i nan pa at ki a manaman lapalap,
7Maar de hoofdman Lúsias is tussenbeide gekomen, heeft hem met groot geweld aan onze handen ontrukt,
8Majani on me weiweiloke i, en poto don re omui, a komui lao kalekalelapok re irail, kom pan pein mani duen meakan, me je pan kila i.
8en zijn aanklagers gelast, voor u te verschijnen. Zo ge hem er naar vraagt, kunt ge zelf alles van hem te weten komen, waarvan wij dezen hier beschuldigen.
9A Juj oko pil weiweiloke Pauluj indada: Mepukat melel!
9De Joden vielen hem bij, en verzekerden, dat het inderdaad zó was.
10A kopina lao olol on Pauluj, en kaparok, a ap kotin japen majani: Ni ai ajaer, me komui jaunkapun pan toun wei wet jaunpar toto, i peren kida, ai pan indinda duen pein nai.
10Op een wenk van den landvoogd, dat Paulus mocht spreken, antwoordde hij aldus Daar ik weet, dat gij sedert vele jaren rechter zijt over dit volk, ga ik welgemoed mij verantwoorden.
11Pwe komui pan mani, me pon naul ria pon eta, me i kodalan Ierujalem pwen kaudok.
11Ge kunt u vergewissen, dat het niet meer dan twaalf dagen geleden is, dat ik naar Jerusalem ben gekomen, om te aanbidden.
12A irail jota diar ia da lokaia on amen nan im en kaudok, de kapeida aramaj oko nan jinakoke kan de nan kanim o.
12Ook heeft men mij met niemand zien redetwisten of een volksoploop zien verwekken, noch in de tempel, noch in de synagogen,
13O re pil jota kak kadede, me re pan kin ia la met.
13noch in de stad. Ook kunnen ze u niet bewijzen, waarvan ze mij nu beschuldigen.
14A iet eta, me i men kadede on komui, ni ai kin kamelele karoj, me intinidier nan jaukop akan o kapun o, i kin kaudoki on Kot en jam ai kan duen tiak en ir, me re kaadaneki pwin likam.
14Maar dit beken ik u wel: Ik dien den God onzer vaderen volgens de richting, die zij ketterij gelieven te noemen, ofschoon ik toch alles geloof, wat in de Wet en de Profeten geschreven staat.
15O i kaporoporeki Kot me irail pil kamelele me melar akan pan maureda, me pun o me japun kan.
15Op God heb ik de hoop gebouwd, die ze zelf ook delen, dat er een verrijzenis zal zijn van rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
16A i me i kin jojonki pein nai, pwe lol i en pun mon Kot o aramaj akan.
16En daarom doe ik mijn best, altijd een onbesmet geweten te hebben voor God en voor de mensen.
17A murin par toto i kodon wa don toun jap wet kijakij eu o wiadar mairon.
17Welnu, na een afwezigheid van meerdere jaren keerde ik terug, om aalmoezen aan mijn volk te brengen, en om offers op te dragen.
18I anjau, me re diar ia makelekeladar nan im en kaudok o jota weriwer de moromoron.
18Terwijl ik me hiertoe aan het reinigen was, vonden enige Joden uit Azië mij in de tempel; dus zonder volksoploop en zonder rumoer.
19A ir pukat Juj akai nan Ajien menda re jota mi met mo ’mui, kadede nai, ma re diar me jued kot re i?
19Die lieden dus hadden eigenlijk voor u moeten verschijnen, en mij in staat van beschuldiging stellen, zo ze iets tegen mij hadden in te brengen.
20De mepukat en pein kajanjaleda japun da, me re diar re i ni ai mi mon kapun o.
20Of laten zij hier eens zeggen, aan welk misdrijf ze mij schuldig hebben bevonden, toen ik voor de Hoge Raad ben verschenen;
21A iet eta lepen lokaia, me i kida ni ai udar nan pun ar indada: En me melar akan ar pan maureda, i pan pakadeikki ran wet re omail.
21of het moest gaan over dat éne woord, dat ik uitriep, toen ik in hun midden stond: Om de verrijzenis der doden sta ik thans voor u terecht.
22A Pelikj lao ereki mepukat, pwe a mani mau duen al pot et, ap kajau ir wei majani: Kaun Lijiaj lao kotido, i ap pan kaimwijokela omail kapun.
22Ofschoon Felix zeer goed bekend was met al wat deze richting betrof, verdaagde hij toch het proces, en zeide tot hen: Wanneer de overste Lúsias hier is gekomen, zal ik uw zaak onderzoeken.
23I ap majani on kaun en kolekol Pauluj o kajaladokela i, o ender inapwiedi ian a kan, en kodon papa i.
23Hij beval den honderdman, hem wel gevangen te houden, maar het hem niet moeilijk te maken, en niemand van zijn vrienden te beletten, hem te verzorgen.
24A murin ran akai Pelikj pwarado, a paud Drujila ian i, iei li en Juj amen, ap molipedo Pauluj o karone i duen lamalam en Krijtuj.
24Enige dagen later lieten Felix en zijn vrouw Drusilla, die een jodin was, Paulus ontbieden, en hoorden hem over het geloof in Christus Jesus.
25A ni a kapakaparok duen pun, o makelekel, o kadeik, me pan wiaui, Pelikj ap majapwe kadar o japen: U kowei anjau wet, i lao pijokalar, i pan eker uk do.
25Maar toen hij sprak van rechtvaardigheid, kuisheid en het toekomstig oordeel, werd Felix bang, en zeide: Ga nu maar heen; als ik tijd heb, zal ik u weer laten roepen.
26A pil kaporoporeki, me Pauluj pan kotiki on i moni, pwen lapwada i; i me a purepure ekeker kido i o kajokajoi on i.
26Hij hoopte meteen, dat Paulus hem geld zou geven; ook daarom ontbood hij hem vaak, en onderhield zich met hem.
27A murin par riau Porjiuj Pejtuj japwiladar wiliandi Pelikj. A Pelijk men konekon ren Juj oko, ap jota lapwada Pauluj.
27Maar na verloop van twee jaren kreeg Felix tot opvolger Pórcius Festus. En daar Felix de Joden aan zich wilde verplichten, liet hij Paulus in de gevangenis achter.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.