Галатима
Chapter 2

Галатима

Daničić–Karadžić Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1А потом на четрнаест година опет изиђох у Јерусалим с Варнавом, узевши са собом и Тита.
1Veertien jaar later ging ik opnieuw naar Jerusalem tezamen met Bárnabas, en nam ook Titus met me mee;
2Али изиђох по откривењу, и разговорих се с њима за јеванђеље које проповедам у незнабошцима, али насамо с онима који се бројаху као најстарији, да узалуд не трчим или не бих трчао.
2ik ging er heen op grond ener openbaring. En ik legde hun, en heel in het bijzonder aan de mannen van aanzien, het Evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig; om te weten, of ik soms niet nutteloos liep of gelopen had.
3Али ни Тит, који беше са мном, и беше Грк, не би натеран да се обреже.
3Welnu, Titus, die bij me was, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden, ofschoon hij heiden was;
4И за лажну браћу која дођоше и привукоше се да уходе слободу нашу коју имамо у Христу Исусу, да нас заробе;
4zelfs niet ten believen van de ingeslopen valse broeders, die onze vrijheid kwamen bespieden, welke we in Christus Jesus bezitten, om ons tot slavernij te brengen.
5којима се ни сахат не подасмо у покорност, да истина јеванђеља остане међу нама.
5Geen ogenblik hebben we hun iets toegegeven, opdat de waarheid van het Evangelie ongerept voor u zou blijven bewaard.
6А за оне који се бројаху да су нешто, какви били да били, ја не марим ништа; јер Бог не гледа ко је ко; јер они који се бројаху као најстарији, мени ништа не додаше;
6En wat de mannen betreft, die in aanzien bleken te staan, —wat ze feitelijk waren, gaat me niet aan; God kent geen aanzien van personen, —die mannen van aanzien hebben me verder niets opgelegd.
7него насупрот дознавши да је мени поверено јеванђеље у необрезанима, као Петру у обрезанима
7Integendeel, toen ze gezien hadden, dat aan mij de prediking onder de onbesnedenen was toevertrouwd, zoals aan Petrus die onder de besnedenen,
8(јер Онај који помаже Петру у апостолству међу обрезанима Онај помаже и мени међу незнабошцима,)
8(want Hij, die aan Petrus de kracht heeft geschonken voor het apostolaat onder de besnedenen, heeft ook aan mij de kracht geschonken voor de heidenen),
9И познавши благодат која је мени дана, Јаков и Кифа и Јован, који се бројаху да су стубови, дадоше деснице мени и Варнави, и пристадоше да ми проповедамо у незнабошцима, а они у обрезанима;
9en toen ze de genade hadden erkend, die mij was geschonken, toen hebben Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren gelden, mij en Bárnabas de broederhand gereikt. Wij zouden dus tot de heidenen gaan, en zij tot de besnedenen;
10само да се опомињемо сиромашних, за које сам се и старао тако чинити.
10alleen zouden we hun armen gedenken, wat ik dan ook trouw heb gedaan.
11А кад дође Петар у Антиохију, у очи њему против стадох; јер беше зазоран.
11Maar toen Kefas te Antiochië was gekomen, weerstond ik hem openlijk, omdat hij in het ongelijk was.
12Јер пре док не дођоше неки од Јакова, јеђаше с незнабошцима, а кад дођоше, устручаваше се и одвајаше бојећи се оних који су из обрезања.
12Want vóórdat er enkele lieden van Jakobus waren gekomen, at hij in gemeenschap met de heiden-christenen; maar na hun komst trok hij zich terug, en zonderde hij zich af uit vrees voor de besnedenen;
13И дволичаху с њим и остали Јудејци, тако да и Варнава приста у њихово дволичење.
13ook de overige Joden veinsden met hem mee, zodat zelfs Bárnabas in hun veinzerij werd meegesleept.
14А кад ја видех да не иду право к истини јеванђеља, рекох Петру пред свима: Кад ти који си Јеврејин незнабожачки а не јеврејски живиш, зашто незнабошце нагониш да живе јеврејски?
14Welnu, toen ik zag, dat ze niet oprecht handelden in overeenstemming met de waarheid van het Evangelie, sprak ik tot Kefas in het bijzijn van allen: Wanneer ge zelf naar heidense gebruiken leeft en niet naar joodse, ofschoon ge een Jood zijt, waarom dwingt ge dan de heidenen op joodse wijze te leven?
15Ми који смо рођени Јевреји, а не грешници из незнабожаца,
15Wij zijn Joden van afkomst en geen zondaars uit de heidenen;
16па дознавши да се човек неће оправдати делима закона, него само вером Исуса Христа, и ми веровасмо Христа Исуса да се оправдамо вером Христовом, а не делима закона: јер се делима закона никакво тело неће оправдати.
16maar omdat we weten, dat de mens niet door de werken der Wet gerechtvaardigd wordt, doch door het geloof in Christus Jesus, daarom hebben we het geloof in Christus Jesus aanvaard, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken der Wet; want niemand wordt gerechtvaardigd door de werken der Wet.
17Ако ли се ми који тражимо да се оправдамо Христом, нађосмо и сами грешници, дакле је Христос греху слуга? Боже сачувај!
17Maar wanneer we nu toch als zondaars worden beschouwd, juist omdat we gerechtvaardigd willen worden in Christus, is dan soms Christus bedienaar der zonde? Dat nooit!
18Јер ако опет зидам оно што развалих, показујем се да сам преступник.
18Doch wel zou ik mezelf tot een overtreder maken, wanneer ik weer opbouw, wat ik afgebroken heb.
19Јер ја законом закону умрех да Богу живим; с Христом се разапех.
19Want ik ben dood voor de Wet door een andere wet, om te leven voor God. —Met Christus ben ik gekruisigd.
20А ја више не живим, него живи у мени Христос. А што сад живим у телу, живим вером Сина Божјег, коме омилех, и предаде себе за мене.
20Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij; terwijl ik leef in het vlees, leef ik in het geloof van den Zoon van God, die mij heeft liefgehad en die Zich voor mij heeft overgeleverd.
21Не одбацујем благодати Божје; јер ако правда кроз закон долази, то Христос узалуд умре.
21Ik doe geen afbreuk aan de genade van God; want als de gerechtigheid door de Wet wordt verkregen, dan is Christus doelloos gestorven.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.