Neemias
Chapter 3
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Então Eliasibe, o sumo sacerdote, levantou-se com os seus irmãos, os sacerdotes, e edificaram a Porta das Ovelhas. Eles a consagraram e assentaram as suas portas. Eles a consagraram até a torre de Meá, e até a torre de Hananel.
1Toen begonnen Eljasjib, de hogepriester, met zijn medepriesters het werk. Ze bouwden de Schaapspoort, wijdden haar in, en plaatsten er de deuren in; ze bouwden tot aan de toren Mea, en vervolgens tot de Chananel-toren.
2Junto a ele, os homens de Jericó edificaram. E junto a eles, Zacur, filho de Inri, edificou.
2Naast hen bouwden de burgers van Jericho, en daarnaast bouwde Zakkoer, de zoon van Imri.
3Os filhos de Hassenaá edificaram a Porta dos Peixes. Eles colocaram as suas vigas, e assentaram as suas portas, os seus ferrolhos e as suas trancas.
3De Vispoort bouwden de zonen van Senaä; ze overkapten haar, en voorzagen haar van deuren, sluitbomen en grendels.
4Junto a eles, Meremote, filho de Urias, filho de Coz, fez reparos. Junto a eles, Mesulão, filho de Berequias, filho de Mesezabel, fez reparos. Junto a eles, Zadoque, filho de Baaná, fez reparos.
4Naast hen bouwde Meremot, de zoon van Oeri-ja, zoon van Hakkos; naast hem Mesjoellam, de zoon van Berekja, zoon van Mesjezabel; daarnaast Sadok, de zoon van Baäna.
5Junto a eles, os tecoítas fizeram reparos; mas os seus nobres não colocaram os seus pescoços no trabalho do Senhor.
5Naast hen bouwden burgers van Tekóa; maar hun edelen zetten hun schouders niet onder het werk van hun Heer.
6Joiada, filho de Paseia, e Mesulão, filho de Besodias, repararam a Porta Velha. Eles colocaram as suas vigas e assentaram as suas portas, os seus ferrolhos e as suas trancas.
6De Oude Poort bouwden Jojada, de zoon van Paséach, en Mesjoellam, de zoon van Besodeja; ze overkapten haar, en voorzagen haar van deuren, sluitbomen en grendels.
7Junto a eles, Melatias, o gibeonita, e Jadom, o meronotita, homens de Gibeão e de Mispá, repararam a residência do governador do outro lado do Rio.
7Naast hen bouwden Melatja, de Giboniet, en Jadon, de Meronotiet, burgers van Gibon en Mispa, tot aan het paleis van den stadhouder aan de overzijde van de Rivier.
8Junto a ele, Uziel, filho de Haraías, dos ourives, fez reparos. Junto a ele, Hananias, um dos perfumistas, fez reparos; e eles fortificaram Jerusalém até a Muralha Larga.
8Naast hen bouwde de goudsmid Oezziël, de zoon van Charhaja, en daarnaast Chananja, de balsembereider; zij herstelden Jerusalem tot aan de Brede Muur.
9Junto a eles, Refaías, filho de Hur, governante da metade do distrito de Jerusalém, fez reparos.
9Naast hen bouwde Refaja, de zoon van Choer en overste van het halve distrikt Jerusalem.
10Junto a eles, Jedaías, filho de Harumafe, fez reparos em frente à sua casa. Junto a ele, Hatus, filho de Hasabneias, fez reparos.
10Naast hem bouwde Jedaja, de zoon van Charoemaf, tegenover zijn huis; daarnaast Chattoesj, de zoon van Chasjabneja.
11Malquias, filho de Harim, e Hassube, filho de Paate-Moabe, repararam outra parte, bem como a Torre dos Fornos.
11Het tweede gedeelte met de Bakoven-toren bouwden Malki-ja, de zoon van Charim, en Chassjoeb, de zoon van Pachat-Moab.
12Junto a ele, Salum, filho de Haloés, governante da metade do distrito de Jerusalém, fez reparos, ele e as suas filhas.
12Naast hen bouwde Sjalloem, de zoon van Hallochesj en overste van het halve distrikt Jerusalem, met zijn dochters.
13Hanum e os habitantes de Zanoa repararam a Porta do Vale. Eles a edificaram, e assentaram as suas portas, os seus ferrolhos e as suas trancas, e também mil côvados da muralha até a Porta do Esterco.
13De Dalpoort bouwde Chanoen met de burgers van Zanóach; ze trokken haar op, en voorzagen haar van deuren, sluitbomen en grendels; bovendien bouwden zij duizend el van de muur tot aan de Aspoort.
14Malquias, filho de Recabe, governante do distrito de Bete-Haquerém, reparou a Porta do Esterco. Ele a edificou, e assentou as suas portas, os seus ferrolhos e as suas trancas.
14De Aspoort bouwde Malki-ja, de zoon van Rekab en overste van het distrikt Bet-Hakkérem; hij trok haar op, en voorzag haar van deuren, sluitbomen en grendels.
15Salum, filho de Col-Hozé, governante do distrito de Mispá, reparou a Porta da Fonte. Ele a edificou, a cobriu, e assentou as suas portas, os seus ferrolhos e as suas trancas; e também reparou a muralha do tanque de Selá, junto ao jardim do rei, até os degraus que descem da Cidade de Davi.
15De Bronpoort bouwde Sjalloem, de zoon van Kol-Choze en overste van het distrikt Mispa; hij trok haar op overkapte haar, en voorzag haar van deuren, sluitbomen en grendels; bovendien bouwde hij de muur bij de vijvers van de waterleiding bij de koningstuin tot aan de trappen, die van de Stad van David omlaag gaan.
16Depois dele, Neemias, filho de Azbuque, governante da metade do distrito de Bete-Zur, fez reparos até o lugar em frente aos túmulos de Davi, até o tanque artificial, e até a casa dos valentes.
16Vervolgens bouwde Nechemja, de zoon van Azboek en overste van het halve distrikt Bet-Soer, tot het punt tegenover de graven van David, en tegenover de kunstmatige vijver en de kazerne der soldaten.
17Depois dele, os levitas — Reum, filho de Bani, fez reparos. Junto a ele, Hasabias, governante da metade do distrito de Queila, fez reparos pelo seu distrito.
17Vervolgens bouwden de levieten Rechoem, de zoon van Bani, en naast hem Chasjabja, de overste van het halve distrikt Keïla, voor rekening van zijn distrikt.
18Depois dele, os seus irmãos, Bavai, filho de Henadade, governante da metade do distrito de Queila, fizeram reparos.
18Daarna bouwde zijn ambtgenoot Bawwai, de zoon van Chenadad en overste van het halve distrikt Keïla.
19Junto a ele, Ézer, filho de Jesua, governante de Mispá, reparou outra parte, em frente à subida para a casa das armas, na esquina da muralha.
19Naast hem bouwde Ézer, de zoon van Jesjóea en overste van Mispa, een tweede gedeelte, namelijk de hoek tegenover de opgang naar het arsenaal.
20Depois dele, Baruque, filho de Zabai, reparou com fervor outra parte, desde a esquina da muralha até a porta da casa de Eliasibe, o sumo sacerdote.
20Vervolgens bouwde Baroek, de zoon van Zabbai, een ander stuk, van de hoek af tot waar het huis van den hogepriester Eljasjib begint.
21Depois dele, Meremote, filho de Urias, filho de Coz, reparou outra parte, desde a porta da casa de Eliasibe até o fim da casa de Eliasibe.
21Daarna bouwde Meremot, de zoon van Oeri-ja, zoon van Hakkos, een ander gedeelte, van het punt af, waar het huis van Eljasjib begint, tot aan het eind van diens huis.
22Depois dele, os sacerdotes, homens da região ao redor, fizeram reparos.
22Vervolgens bouwden de priesters, die daar in de buurt woonden;
23Depois deles, Benjamim e Hassube fizeram reparos em frente à sua casa. Depois deles, Azarias, filho de Maaseias, filho de Ananias, fez reparos ao lado da sua própria casa.
23daarna Binjamin en Chassjoeb tegenover hun huis; dan Azarja, de zoon van Maäseja, zoon van Ananja, in de buurt van zijn huis.
24Depois dele, Binui, filho de Henadade, reparou outra parte, desde a casa de Azarias até a esquina da muralha, e até o canto.
24Vervolgens bouwde Binnoej, de zoon van Chenadad, een ander gedeelte van het huis van Azarja af tot aan de hoek van het terras;
25Palal, filho de Uzai, fez reparos em frente à esquina da muralha, e à torre que se projeta da casa superior do rei, que fica junto ao pátio da guarda. Depois dele, Pedaías, filho de Parós, fez reparos.
25daarnaast Palal, de zoon van Oezai, tegenover de hoek en de hoge toren, die uitspringt van het koninklijk paleis bij de gevangenhof; dan Pedaja, de zoon van Parosj;
26(Ora, os servos do templo moravam em Ofel, até o lugar em frente à Porta das Águas, em direção ao leste, e à torre que se projeta.)
26daarna de tempelknechten, die op de Ofel woonden, tot het punt tegenover de oostelijke Waterpoort en de vooruitspringende toren.
27Depois dele, os tecoítas repararam outra parte, em frente à grande torre que se projeta, e até a muralha de Ofel.
27Vervolgens bouwden burgers van Tekóa het tweede gedeelte van het punt af tegenover de grote vooruitspringende toren tot aan de muur van de Ofel.
28Acima da Porta dos Cavalos, os sacerdotes fizeram reparos, cada um em frente à sua própria casa.
28Van de Paardenpoort af bouwden de priesters, iedereen tegenover zijn eigen huis.
29Depois deles, Zadoque, filho de Imer, fez reparos em frente à sua própria casa. Depois dele, Semaías, filho de Secanias, o guarda da porta leste, fez reparos.
29Vervolgens bouwde Sadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis; daarna Sjemaja, de zoon van Sjekanja en bewaker van de Oostpoort.
30Depois dele, Hananias, filho de Selemias, e Hanum, o sexto filho de Zalafa, repararam outra parte. Depois dele, Mesulão, filho de Berequias, fez reparos em frente ao seu quarto.
30Vervolgens bouwden Chananja, de zoon van Sjelemja, en Chanoen, de zesde zoon van Salaf, een ander gedeelte; daarna Mesjoellam, de zoon van Berekja, tegenover zijn kamer.
31Depois dele, Malquias, um dos ourives, fez reparos até a casa dos servos do templo e dos mercadores, em frente à Porta de Mifcade, e até a subida do canto.
31Vervolgens bouwde de goudsmid Malki-ja tot aan het huis van de tempelknechten en dat van de handelaars tegenover de Wachtpoort en tot aan de bovenbouw van het terras.
32Entre a subida do canto e a Porta das Ovelhas, os ourives e os mercadores fizeram reparos.
32Tussen de bovenbouw van het terras tot aan de Schaapspoort bouwden de goudsmeden en de handelaars.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.