Neemias 2
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1No mês de nisã, no vigésimo ano do rei Artaxerxes, quando o vinho estava diante dele, eu peguei o vinho e o entreguei ao rei. Ora, eu não tinha estado triste antes em sua presença.
1had ik in de maand Nisan van het twintigste jaar van koning Artaxerxes de zorg voor de wijn; ik bracht hem den koning, en reikte hem over. Maar nog nooit was ik zo droevig geweest.
2O rei me disse: “Por que o seu rosto está triste, já que você não está doente? Isso não é outra coisa senão tristeza de coração.” Então eu fiquei com muito medo.
2De koning zei dus tot mij: Waarom kijkt ge zo treurig; ge zijt toch niet ziek? Dat kan niet anders dan harteleed zijn. Ik begon te rillen van angst,
3Eu disse ao rei: “Que o rei viva para sempre! Por que o meu rosto não estaria triste, quando a cidade, o lugar dos túmulos dos meus pais, está em ruínas, e as suas portas foram consumidas pelo fogo?”
3en sprak tot den koning: De koning leve voor eeuwig! Hoe zou ik niet treuren, daar de stad ligt verwoest, waar de graven van mijn vaderen zijn, en daar haar poorten door het vuur zijn verteerd?
4Então o rei me disse: “Qual é o seu pedido?” Então eu orei ao Deus dos céus.
4De koning antwoordde mij: Wat zoudt ge dan willen? Ik bad tot den God des hemels,
5Eu disse ao rei: “Se for do agrado do rei, e se o seu servo achou favor em seus olhos, peço que me envie a Judá, à cidade dos túmulos dos meus pais, para que eu a reconstrua.”
5en sprak tot den koning: Zo het den koning behaagt, en gij uw dienaar daartoe geschikt acht, zend mij dan naar Juda, om de stad te herbouwen, waar de graven van mijn vaderen zijn.
6O rei me disse (estando a rainha também sentada ao seu lado): “Quanto tempo durará a sua viagem? Quando você voltará?” Assim, pareceu bem ao rei me enviar, e eu lhe marquei um prazo.
6De koning en zijn gemalin, die naast hem zat, zeiden tot mij: Hoe lang duurt uw tocht, en wanneer komt ge terug? Ik noemde hem een termijn, en het behaagde den koning, mij de opdracht te geven.
7Além disso, eu disse ao rei: “Se for do agrado do rei, que me sejam dadas cartas para os governadores do outro lado do Rio, para que me deixem passar até que eu chegue a Judá;
7Nu sprak ik tot den koning: Zo het den koning behaagt, moge hij mij brieven meegeven voor de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, dat ze mij doortocht verlenen, totdat ik Juda bereik;
8e uma carta para Asafe, o guarda da floresta do rei, para que ele me dê madeira para fazer as vigas das portas da cidadela junto ao templo, para a muralha da cidade e para a casa que irei ocupar.” O rei atendeu aos meus pedidos, por causa da boa mão do meu Deus sobre mim.
8bovendien een brief voor Asaf, den koninklijken houtvester, dat hij mij hout moet leveren, om de poorten van de burcht te overkappen, die tot de tempel behoort, en voor de stadsmuur en de woning, waar ik mijn intrek zal nemen. En de koning verleende ze mij, daar de hand van God vol goedheid op mij rustte.
9Então cheguei aos governadores do outro lado do Rio e lhes entreguei as cartas do rei. Ora, o rei tinha enviado comigo capitães do exército e cavaleiros.
9Vergezeld van de legeroversten en ruiters, die de koning mij meegaf, kwam ik bij de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, en reikte hun de brieven van den koning over.
10Quando Sambalate, o horonita, e Tobias, o servo amonita, ouviram isso, ficaram extremamente desgostosos, porque um homem tinha vindo para buscar o bem-estar dos filhos de Israel.
10Maar toen Sanbállat, de Choroniet, en Tobi-ja, de ammonietische slaaf, het vernamen, waren zij er hevig over ontstemd, dat er iemand gekomen was, om Israëls kinderen goed te doen.
11Então cheguei a Jerusalém e estive lá por três dias.
11De herbouw van Jerusalems muren. Toen ik te Jerusalem was aangekomen, en daar drie dagen vertoefd had,
12Eu me levantei de noite, eu e alguns homens comigo. Eu não contei a ninguém o que o meu Deus havia colocado em meu coração para fazer por Jerusalém. Não havia nenhum animal comigo, exceto o animal em que eu montava.
12stond ik in de volgende nacht op. Ik nam slechts enkele mannen met mij mee, en vertelde aan niemand, wat mijn God mij had ingegeven, voor Jerusalem te doen; ook was er geen ander rijdier bij, dan dat ik zelf bereed.
13Eu saí de noite pela Porta do Vale, em direção à Fonte do Chacal, e depois para a Porta do Esterco; e inspecionei as muralhas de Jerusalém, que estavam derrubadas, e as suas portas, que tinham sido consumidas pelo fogo.
13In de nacht ging ik door de Dalpoort naar buiten, en trok in de richting van de Drakenbron naar de Aspoort; intussen onderzocht ik Jerusalems muren, die in puin lagen, en zijn poorten, die door het vuur waren verteerd.
14Então prossegui para a Porta da Fonte e para o Tanque do Rei, mas não havia espaço para o animal que estava debaixo de mim passar.
14Vandaar ging ik verder naar de Bronpoort en de Koningsvijver; maar hier was geen ruimte meer voor het dier, dat ik bereed, om er doorheen te komen.
15Então subi de noite pelo ribeiro e inspecionei a muralha; dei meia-volta, entrei pela Porta do Vale e assim retornei.
15Door het dal ging ik dus opwaarts in de nacht, telkens de muur onderzoekend. Daarna sloeg ik af, en keerde door de Dalpoort terug naar huis.
16Os governantes não sabiam aonde eu tinha ido, nem o que eu tinha feito. Eu ainda não havia contado nada aos judeus, nem aos sacerdotes, nem aos nobres, nem aos governantes, nem aos demais que faziam a obra.
16Zelfs de voormannen wisten niet, waar ik heen was gegaan en wat ik beoogde; want ik had er aan Joden noch priesters, aan edelen noch regenten, noch aan de overigen, die het werk moesten doen, tot nu toe iets van gezegd.
17Então eu lhes disse: “Vocês veem a má situação em que estamos, como Jerusalém está em ruínas, e as suas portas estão queimadas pelo fogo. Venham, vamos reconstruir a muralha de Jerusalém, para que não sejamos mais desonrados.”
17Maar nu sprak ik tot hen: Gij ziet de ellende, waarin wij verkeren; hoe Jerusalem in puinen ligt, en zijn poorten door het vuur zijn verteerd. Komt, laat ons Jerusalems muren herbouwen, en niet langer meer worden bespot.
18Eu lhes contei sobre a mão do meu Deus, que tinha sido boa sobre mim, e também sobre as palavras que o rei me tinha falado. Eles disseram: “Vamos nos levantar e construir.” Então eles fortaleceram as suas mãos para a boa obra.
18En ik vertelde hun, hoe de hand van God vol goedheid op mij had gerust, en wat de koning mij had gezegd. Ze gaven ten antwoord: We willen beginnen te bouwen! En vol moed sloegen ze de hand aan het heerlijke werk.
19Mas quando Sambalate, o horonita, Tobias, o servo amonita, e Gesém, o árabe, ouviram isso, eles zombaram de nós, nos desprezaram e disseram: “O que é isso que vocês estão fazendo? Vocês vão se rebelar contra o rei?”
19Toen Sanbállat, de Choroniet, Tobi-ja, de ammonietische slaaf, en Gésjem, de Arabier, het hoorden, lachten ze ons uit, en bespotten ons. En ze zeiden: Wat moet dat betekenen; maakt ge soms opstand tegen den koning?
20Então eu lhes respondi e disse: “O Deus dos céus nos fará prosperar. Portanto, nós, os seus servos, nos levantaremos e construiremos; mas vocês não têm porção, nem direito, nem memorial em Jerusalém.”
20Maar ik stond hun te woord, en sprak tot hen: De God des hemels zal ons doen slagen; wij, zijn dienaars, beginnen de bouw. Maar gij hebt in Jerusalem geen deel en geen recht, zelfs geen naam!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.