Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O rei Astíages foi reunido a seus antepassados, e Ciro, o persa, recebeu seu reino.
1werd Daniël tafelvriend van den koning, en was boven al zijn gezellen geëerd.
2Daniel vivia com o rei e era mais honrado do que todos os amigos dele.
2Nu bezaten de Babyloniers een afgodsbeeld, dat Bel werd genoemd. Iedere nacht bracht men het twaalf maten tarwemeel, veertig schapen en zes kruiken wijn.
3Os babilônios tinham um ídolo chamado Bel, e todos os dias eram gastos com ele doze grandes medidas de farinha fina, quarenta ovelhas e seis firkins de vinho.
3Ook de koning vereerde het, en ging het iedere dag aanbidden; maar Daniël bleef zijn God aanbidden. Daarom zei de koning hem eens: Waarom aanbidt ge Bel toch niet?
4O rei o honrava e ia diariamente adorá-lo; Daniel, porém, adorava seu próprio Deus. O rei lhe perguntou: “Por que você não adora Bel?”
4Hij antwoordde: Ik aanbid geen beeld, dat met handen gemaakt is, maar alleen den levenden God, die hemel en aarde gemaakt heeft, en macht heeft over al wat bestaat.
5Daniel respondeu: “Porque não posso honrar ídolos feitos por mãos humanas, mas somente o Deus vivo, que criou o céu e a terra e tem soberania sobre toda carne.”
5De koning zei hem: Houdt gij dan ook Bel niet voor een levenden God; ziet ge dan niet, hoeveel hij dagelijks eet en drinkt?
6Então o rei lhe disse: “Você não acha que Bel é um deus vivo? Não vê quanto ele come e bebe todos os dias?”
6Daniël sprak lachend: Laat u toch niet bedriegen, o koning: dat ding is van binnen van leem, van buiten van koper, en het heeft nog nooit iets gegeten.
7Daniel riu e disse: “Ó rei, não se engane, pois ele é apenas barro por dentro e bronze por fora e nunca comeu nem bebeu coisa alguma.”
7Nu werd de koning vreselijk kwaad; hij riep zijn priesters bijeen. en sprak tot hen: Zo ge mij niet zegt, wie deze offergaven opeet, zult ge sterven;
8Então o rei ficou irado, chamou os sacerdotes de Bel e lhes disse: “Se vocês não me disserem quem é que consome todas essas provisões, morrerão.
8zo ge mij echter bewijst, dat Bel ze gebruikt, zal Daniël sterven, omdat hij dan tegen Bel heeft gelasterd. Daniël zei tot den koning: Goed, het geschiede, zoals gij gezegd hebt.
9Mas, se puderem me mostrar que Bel as consome, então Daniel morrerá, pois falou blasfêmia contra Bel.” Daniel disse ao rei: “Seja conforme sua palavra.”
9Nu waren er zeventig priesters van Bel, behalve nog hun vrouwen en kinderen. Toen dan de koning met Daniël naar de tempel van Bel was gekomen,
10Havia setenta sacerdotes de Bel, além de suas esposas e filhos. O rei entrou com Daniel no templo de Bel.
10zeiden de priesters van Bel: Zie, wij zullen nu naar buiten gaan; zet zelf de spijzen maar klaar, o koning, en meng de wijn; sluit dan de deur, en verzegel die met uw zegelring.
11Então os sacerdotes de Bel disseram: “Eis que nós sairemos. Mas você, ó rei, coloque a comida, misture o vinho e deixe tudo preparado. Feche bem a porta e sele-a com seu próprio selo.
11En wanneer gij dan morgenvroeg terugkomt, en niet ziet, dat alles door Bel is opgegeten, zullen wij sterven, of anders Daniël, omdat hij ons heeft belasterd.
12Quando voltar pela manhã, se não encontrar tudo consumido por Bel, nós morreremos; caso contrário, morrerá Daniel, que fala falsamente contra nós.”
12Ze meenden zich zeker van hun zaak, omdat ze onder de offertafel een verborgen toegang hadden gemaakt, waarlangs ze steeds heimelijk binnendrongen, om alles op te eten.
13Eles estavam tranquilos, pois debaixo da mesa haviam feito uma entrada secreta pela qual entravam continuamente para consumir aquelas coisas.
13Maar toen ze waren vertrokken, en de koning de spijzen voor Bel gereed had gezet, gaf Daniël aan zijn slaven bevel, as te gaan halen, en de hele tempel er mee te bestrooien, maar zó, dat alleen de koning het zag. Daarop gingen ze naar buiten, sloten de deur, en verzegelde ze met de zegelring van den koning. Toen gingen ze heen.
14Depois que saíram, o rei colocou a comida diante de Bel. Daniel havia ordenado a seus servos que trouxessem cinzas, e eles as espalharam por todo o templo na presença somente do rei. Então saíram, fecharam a porta, selaram-na com o selo do rei e foram embora.
14Maar 's nachts kwamen de priesters naar gewoonte met hun vrouwen en kinderen, en aten en dronken alles op.
15Durante a noite, os sacerdotes vieram com suas esposas e filhos, como costumavam fazer, e comeram e beberam tudo.
15Vroeg in de morgen trok de koning er met Daniël heen.
16Pela manhã, o rei se levantou, e Daniel com ele.
16Hij zeide: Daniël, zijn de zegels ongeschonden? Deze antwoordde: Ze zijn ongeschonden, o koning.
17O rei perguntou: “Daniel, os selos estão intactos?” Ele respondeu: “Sim, ó rei, estão intactos.”
17Zodra de koning de deur had geopend, en een blik op de offertafel had geworpen, riep hij juichend: Bel, gij zijt groot; bij u is er volstrekt geen bedrog!
18Assim que abriu a porta, o rei olhou para a mesa e gritou em alta voz: “Grande és tu, ó Bel, e em ti não há engano algum!”
18Maar Daniël lachte, belette den koning naar binnen te gaan, en zeide: Bezie eerst de vloer eens, en onderzoek eens, van wie die voetstappen zijn.
19Então Daniel riu, segurou o rei para que não entrasse e disse: “Olhe agora para o chão e observe bem de quem são estas pegadas.”
19De koning sprak: Ik zie voetstappen van mannen, vrouwen en kinderen.
20O rei disse: “Vejo pegadas de homens, mulheres e crianças.” Então o rei ficou irado
20Nu ontstak de koning in woede. Hij liet onmiddellijk de priesters halen met hun vrouwen en kinderen, en ze moesten hem de geheime deuren tonen, waarlangs ze binnen waren gekomen, om op te eten wat op de offertafel geplaatst was.
21e prendeu os sacerdotes, juntamente com suas esposas e filhos. Eles lhe mostraram as portas secretas pelas quais entravam e consumiam as coisas que estavam sobre a mesa.
21Daarop liet de koning ze doden. Hij leverde Bel aan Daniël over, en deze vernielde hem met zijn tempel.
22Então o rei os matou e entregou Bel ao poder de Daniel, que derrubou o ídolo e seu templo.
22Nu was er ook nog een grote draak, die door de Babyloniërs werd vereerd.
23Naquele mesmo lugar havia um grande dragão que o povo da Babilônia adorava.
23En de koning zei tot Daniël: Van hem kunt ge toch zeker niet zeggen, dat hij geen levende god is;
24O rei disse a Daniel: “Você também dirá que este é de bronze? Veja, ele vive, come e bebe. Você não pode dizer que não é um deus vivo. Portanto, adore-o.”
24aanbid hem dus. Daniël sprak: Ik aanbid alleen den Heer, mijn God; want Hij is inderdaad een levende God.
25Daniel respondeu: “Adorarei o Senhor meu Deus, pois ele é o Deus vivo.
25Koning, geef me maar eens verlof, dan zal ik zonder zwaard of stok den draak het leven benemen. De koning zei: Ik geef het u.
26Mas permita-me, ó rei, e matarei este dragão sem espada nem bastão.” O rei disse: “Eu permito.”
26Nu nam Daniël pek, vet en haren, kookte ze onder elkander, maakte er ronde koeken van, en stopte ze den draak in de muil. De draak vrat ze op, en berstte uiteen. Toen zei hij: Ziedaar, wat gij vereert!
27Então Daniel pegou piche, gordura e pelos, derreteu tudo junto e fez bolos. Colocou-os na boca do dragão; o dragão comeu e arrebentou. Daniel disse: “Vejam os deuses que vocês adoram!”
27Toen de Babyloniërs hiervan hoorden, werden ze woedend; ze schoolden tegen den koning samen, en zeiden: De koning is een Jood geworden! Bel heeft hij vernield, den draak gedood, en de priesters laten vermoorden.
28Quando os habitantes da Babilônia ouviram isso, ficaram muito indignados e conspiraram contra o rei, dizendo: “O rei se tornou judeu! Derrubou Bel, matou o dragão e passou os sacerdotes ao fio da espada.”
28Ze gingen naar den koning, en zeiden tot hem: Lever ons Daniël uit, anders doden wij u en de uwen.
29Foram até o rei e disseram: “Entregue-nos Daniel, ou destruiremos você e sua casa.”
29De koning voelde zich ernstig bedreigd, en noodgedwongen leverde hij hun Daniël uit.
30Quando o rei percebeu que o haviam encurralado, sendo forçado pelas circunstâncias, entregou Daniel a eles.
30Men gooide hem in de leeuwenkuil, waarin hij zes dagen bleef.
31Eles o lançaram na cova dos leões, onde permaneceu seis dias.
31In die kuil waren toen zeven leeuwen, wie men dagelijks twee lijken en twee schapen gaf; maar nu gaf men ze niets, opdat ze Daniël zouden verslinden.
32Havia sete leões na cova. Todos os dias lhes davam duas carcaças e duas ovelhas, mas naquela ocasião não lhes deram alimento algum, para que devorassem Daniel.
32Toen leefde er in Juda een profeet, Habakuk genaamd. Deze had een moes gekookt, en daarbij brood in een schotel gebrokkeld; hij wilde nu juist naar de akker gaan, om het aan de maaiers te brengen.
33Havia então na Judeia o profeta Habacuque, que havia preparado um ensopado e partido pão numa tigela. Ele estava indo ao campo para levar a comida aos ceifeiros.
33Maar een engel des Heren sprak Habakuk aan: Breng het maal, dat ge daar hebt, naar Babel voor Daniël in de leeuwenkuil.
34Mas o anjo do Senhor disse a Habacuque: “Leve a refeição que você tem até a Babilônia, a Daniel, na cova dos leões.”
34Habakuk antwoordde: Ik heb Babel nog nooit gezien, en de kuil ken ik evenmin.
35Habacuque disse: “Senhor, nunca vi a Babilônia e não sei onde fica a cova.”
35Toen greep de engel des Heren hem bij de kruin van zijn hoofd, pakte hem bij de haren vast, en verplaatste hem in een ademtocht naar Babel, boven de kuil.
36Então o anjo do Senhor o tomou pelo alto da cabeça, levantou-o pelos cabelos e, com o sopro de seu espírito, colocou-o na Babilônia, sobre a cova.
36Daar riep Habakuk: Daniël, Daniël; neem het maal, dat God u zendt.
37Habacuque clamou: “Daniel, Daniel, receba a refeição que Deus enviou a você.”
37En Daniël sprak: o God, Gij zijt mijner indachtig gebleven; neen, Gij verlaat niet die U liefhebben!
38Daniel disse: “Tu te lembraste de mim, ó Deus! Não abandonaste os que te amam!”
38Toen stond Daniël op, en at. En Gods engel bracht Habakuk in een enkel ogenblik terug op zijn plaats.
39Então Daniel se levantou e comeu; e o anjo de Deus imediatamente colocou Habacuque de volta em seu próprio lugar.
39De zevende dag ging de koning uit, om Daniël te bewenen. Hij kwam bij de kuil, keek er in, en zag er Daniël zitten.
40No sétimo dia, o rei foi lamentar Daniel. Quando chegou à cova, olhou para dentro, e eis que Daniel estava sentado.
40Nu juichte de koning het uit: Groot zijt Gij, Heer, God van Daniël; er is geen ander buiten U! En hij liet hem eruit halen. Maar die zijn onheil hadden bewerkt, liet hij in de leeuwenkuil gooien, en ze werden ogenblikkelijk onder zijn ogen verslonden.
41Então o rei clamou em alta voz: “Grande és tu, ó Senhor, Deus de Daniel, e não há outro além de ti!”
41Toen sprak de koning: Alle bewoners van heel de wereld moeten den God van Daniël vrezen; want Hij, die Daniël uit de leeuwenkuil heeft verlost, is een Redder, die tekenen en wonderen doet op de aarde!
42Tirou Daniel dali e lançou na cova aqueles que haviam sido a causa de sua destruição; e eles foram devorados num instante diante dele.
no verse 42 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.