Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1No terceiro ano de Ciro, rei da Pérsia, uma revelação foi dada a Daniel, cujo nome era Beltesazar. A revelação era verdadeira e se referia a uma grande guerra. Ele compreendeu a revelação e teve entendimento da visão.
1In het derde jaar van Cyrus, den koning der Perzen, werd aan Daniël, ook Beltsjassar geheten, een openbaring gegeven. Dit woord was waarachtig, al sprak het ook van vreselijke nood. Daar hij die openbaring wilde verstaan, werd hem in een visioen het inzicht verleend.
2Naqueles dias, eu, Daniel, estive de luto durante três semanas inteiras.
2In die tijd was ik, Daniël, drie weken lang in diepe rouw gedompeld;
3Não comi alimento saboroso. Carne e vinho não entraram em minha boca, e não me ungi de modo algum até se completarem três semanas inteiras.
3ik at geen lekkere spijzen, vlees noch wijn kwam over mijn lippen, en ik zalfde mij geen enkele keer, voordat er drie volle weken waren verlopen.
4No vigésimo quarto dia do primeiro mês, eu estava junto ao grande rio, que é o Hidequel.
4Maar op de vier en twintigste dag der eerste maand bevond ik mij aan de oever van de grote rivier, de Tigris.
5Levantei os olhos e olhei, e eis que havia um homem vestido de linho, com a cintura cingida de ouro puro de Ufaz.
5Toen ik mijn ogen opsloeg: zie, daar zag ik een man in een linnen gewaad en met een gordel van het fijnste goud om de lenden.
6Seu corpo era como berilo, seu rosto como a aparência de um relâmpago, seus olhos como tochas de fogo, seus braços e pés como bronze polido, e o som de suas palavras como o som de uma multidão.
6Zijn lichaam was als smaragd, zijn gelaat was als een bliksemflits; zijn ogen waren als laaiende vlammen, zijn armen en voeten als glimmend koper; en de stem waarmee hij sprak, was als het rumoer van een volksoploop.
7Somente eu, Daniel, vi a visão. Os homens que estavam comigo não a viram, mas um grande tremor caiu sobre eles, e fugiram para se esconder.
7Ik alleen, Daniël, zag die verschijning. De mannen, die bij me waren, zagen ze niet; maar een ontzettende angst greep hen aan, zodat ze wegvluchtten, om zich te verbergen,
8Fiquei sozinho e vi essa grande visão. Não restou força em mim; meu rosto ficou mortalmente pálido, e não conservei força alguma.
8en ik heel alleen achterbleef. Toen ik die vreselijke verschijning aanschouwde, ontzonk mij de kracht, mijn gelaatskleur verbleekte, en ik had geen macht meer over mezelf;
9Contudo, ouvi o som de suas palavras. Quando ouvi o som de suas palavras, caí em profundo sono com o rosto em terra.
9en toen ik de stem hoorde, waarmee hij sprak, viel ik in zwijm, met mijn gezicht op de grond.
10Eis que uma mão me tocou e me pôs sobre os joelhos e as palmas das mãos.
10En zie, een hand raakte mij aan, en hief mij omhoog op mijn knieën en handen.
11Ele me disse: “Daniel, homem muito amado, compreenda as palavras que lhe digo. Fique de pé, pois agora fui enviado a você.” Quando ele me disse isso, levantei-me tremendo.
11Hij sprak mij toe: Daniël, geliefde man, richt u geheel overeind, en let goed op de woorden, die ik tot u ga spreken; want daarvoor ben ik tot u gezonden. Op dit woord stond ik sidderend op.
12Então ele me disse: “Não tenha medo, Daniel, pois desde o primeiro dia em que você decidiu compreender e se humilhar diante de seu Deus, suas palavras foram ouvidas, e eu vim por causa delas.
12Hij zeide tot mij: Daniël, wees niet bang; want van de eerste dag af, dat gij er uw hart op gezet hadt, om inzicht te krijgen, en gij u verootmoedigd hebt voor uw God, is uw smeken verhoord, en wilde ik ingaan op uw verzoek.
13Mas o príncipe do reino da Pérsia me resistiu durante vinte e um dias. Então Miguel, um dos principais príncipes, veio me ajudar, pois eu havia ficado ali com os reis da Pérsia.
13Maar de engel van het perzische rijk stond mij een en twintig dagen lang in de weg. Doch zie, Mikaël, een van de aartsengelen, kwam mij te hulp. Ik liet hem ginds achter bij den engel van het perzische rijk,
14Agora vim para fazer você compreender o que acontecerá ao seu povo nos últimos dias, pois a visão se refere a dias ainda futuros.”
14en ik ben nu gekomen, om u te doen zien, wat er met uw volk zal geschieden op het einde der tijden; want ook dit visioen heeft op de verre toekomst betrekking.
15Quando ele me disse essas palavras, baixei o rosto em direção ao chão e fiquei mudo.
15Terwijl hij zó tot mij sprak, sloeg ik mijn blik naar de grond, en stond sprakeloos.
16Eis que alguém semelhante aos filhos dos homens tocou meus lábios. Então abri a boca, falei e disse àquele que estava diante de mim: “Meu senhor, por causa da visão, dores me sobrevieram, e não me resta força.
16Maar zie, hij die op een mensenkind leek, raakte mijn lippen aan. Ik opende mijn mond, en sprak tot hem, die voor mij stond: Mijn Heer, door deze verschijning heeft de smart mij overmeesterd, en is de kracht mij ontzonken.
17Como pode o servo de meu senhor falar com meu senhor? Quanto a mim, não resta força alguma em mim, e não há fôlego em mim.”
17Hoe zou ik hier, de knecht van mijn Heer, tot zulk een Heer durven spreken; ik heb er de kracht niet meer toe, en de adem is mij benomen.
18Então aquele que tinha aparência de homem me tocou novamente e me fortaleceu.
18Toen raakte hij, die op een mens geleek, mij wederom aan, om mij de kracht te hergeven.
19Ele disse: “Homem muito amado, não tenha medo. Paz seja com você. Seja forte! Sim, seja forte!” Quando falou comigo, fui fortalecido e disse: “Fale meu senhor, pois o senhor me fortaleceu.”
19En hij sprak tot mij: Wees niet bang, geliefde man; vrede zij u; wees krachtig en sterk! En terwijl hij nog tot mij sprak, voelde ik mijn krachten herleven, en ik zei: Mijn Heer moge nu spreken, want gij hebt mij gesterkt.
20Então ele disse: “Você sabe por que vim até você? Agora voltarei para lutar contra o príncipe da Pérsia. Quando eu sair, eis que virá o príncipe da Grécia.
20Hij sprak: Begrijpt ge nu, waarom ik tot u ben gekomen? Maar nu moet ik terug, om tegen den engel der Perzen te strijden; en als ik daarmee klaar ben, dan komt de engel van Griekenland nog.
21Mas eu lhe declararei o que está registrado na escritura da verdade. Não há ninguém que me apoie contra eles, exceto Miguel, seu príncipe.
21En niemand helpt mij tegen hem, dan Mikaël, uw schutsengel;

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.