Amós
Chapter 7
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Assim o Senhor DEUS me mostrou: eis que ele formava gafanhotos no princípio do brotar da plantação tardia; e eis que era a plantação tardia depois da colheita do rei.
1Dit liet Jahweh, de Heer, mij schouwen. Zie, Hij joeg een sprinkhanenzwerm bijeen, juist toen het nagewas begon op te schieten; het was het nagewas na de snit voor den koning.
2Quando eles terminaram de comer a erva da terra, então eu disse: “Senhor DEUS, perdoa, eu te peço! Como Jacó poderá subsistir? Pois ele é pequeno.”
2Maar toen ze het gewas op het land begonnen af te vreten, zeide ik: Ach Jahweh, mijn Heer; heb toch medelijden! Hoe zal Jakob blijven bestaan; het is toch zo klein!
3O SENHOR arrependeu-se disso. “Isso não acontecerá”, diz o SENHOR.
3Toen kreeg Jahweh er spijt van. Het zal niet gebeuren, sprak Jahweh.
4Assim o Senhor DEUS me mostrou: eis que o Senhor DEUS chamava para um julgamento por fogo; e este secou o grande abismo, e teria devorado a terra.
4Dit liet Jahweh, de Heer, mij nog schouwen. Zie, Hij liet een geweldige vuurgloed komen, die de onmetelijke oceaan verteerde, en het akkerland ging verslinden.
5Então eu disse: “Senhor DEUS, para, eu te peço! Como Jacó poderá subsistir? Pois ele é pequeno.”
5Ik zeide: Ach Jahweh, mijn Heer, houd toch op! Hoe zal Jakob blijven bestaan; het is toch zo klein!
6O SENHOR arrependeu-se disso. “Isso também não acontecerá”, diz o Senhor DEUS.
6Toen kreeg Jahweh er spijt van. Ook dit zal niet gebeuren, sprak Jahweh, de Heer.
7Assim ele me mostrou: eis que o Senhor estava junto a um muro construído a prumo, com um prumo em sua mão.
7Nog het volgende liet Jahweh mij schouwen. Zie, Jahweh stond op een muur, met een houweel in de hand.
8O SENHOR me disse: “Amós, o que você vê?” Eu disse: “Um prumo.” Então o Senhor disse: “Eis que porei um prumo no meio do meu povo Israel. Não passarei mais por eles.
8En Jahweh sprak tot mij: Wat ziet ge, Amos? Ik gaf ten antwoord: Een houweel. Toen sprak de Heer: Zie, Ik sla het houweel midden in Israël, mijn volk; Ik zal het niet langer meer sparen.
9Os altos de Isaque ficarão desolados, os santuários de Israel serão destruídos; e eu me levantarei contra a casa de Jeroboão com a espada.”
9De offerhoogten van Isaak zullen worden verwoest, Israëls heiligdommen vernield; tegen het huis van Jeroboam verhef Ik Mij met het zwaard.
10Então Amazias, o sacerdote de Betel, mandou dizer a Jeroboão, rei de Israel: “Amós tem conspirado contra você no meio da casa de Israel. A terra não é capaz de suportar todas as suas palavras.
10Toen liet Amas-ja, de priester van Betel, Jeroboam, den koning van Israël berichten: Amos zet in het huis van Israël een samenzwering tegen u op touw; het land zal niet bestand zijn tegen al zijn godsspraken.
11Pois Amós diz: ‘Jeroboão morrerá à espada, e Israel certamente será levado cativo para fora da sua terra.’”
11Want dit heeft Amos verkondigd: Jeroboam sterft door het zwaard, en Israël zal in ballingschap gaan, ver van zijn land!
12Amazias também disse a Amós: “Ó vidente, vá, fuja para a terra de Judá, e ali coma pão, e profetize ali,
12En tot Amos zelf sprak Amas-ja: Ziener, pak u weg, en vlucht in uw eigen belang naar het land van Juda; daar kunt ge de kost met profeteren verdienen.
13mas não profetize nunca mais em Betel; pois é o santuário do rei, e é uma casa real!”
13Maar in Betel moogt ge niet meer profeteren; want dit is een koninklijk heiligdom en rijks-tempel.
14Então Amós respondeu a Amazias: “Eu não era profeta, nem era filho de profeta, mas eu era pastor de gado, e cultivador de sicômoros;
14Amos gaf Amas-ja ten antwoord: Ik ben profeet noch profetenleerling; ik ben maar een herder en vijgenkweker.
15e o SENHOR me tirou de seguir o rebanho, e o SENHOR me disse: ‘Vá, profetize ao meu povo Israel.’
15Maar Jahweh heeft mij weggehaald achter de kudde, en Jahweh heeft mij gezegd: Ga profeteren tegen Israël, mijn volk!
16Agora, portanto, ouça a palavra do SENHOR: ‘Você diz: Não profetize contra Israel, e não pregue contra a casa de Isaque.’
16Nu dan, hoor het woord van Jahweh: Gij zegt: Ge moogt tegen Israël niet profeteren, Uw woorden tegen het huis van Isaak niet laten kletteren!
17Portanto, assim diz o SENHOR: ‘Sua mulher será prostituta na cidade, e seus filhos e suas filhas cairão à espada, e a sua terra será dividida a cordel; e você mesmo morrerá em uma terra impura, e Israel certamente será levado cativo para fora da sua terra.’”
17Daarom spreekt Jahweh: Uw vrouw zal in de stad zich veil moeten geven, Uw zonen en dochters zullen vallen door het zwaard, Uw akker zal met het meetsnoer worden verdeeld. Zelf zult ge sterven op onreine bodem, En Israël zal in ballingschap gaan, ver van zijn land!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.