Marcus 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toen kwamen de farizeën en sommige schriftgeleerden. die van Jerusalem waren gekomen, gezamenlijk naar Hem toe.
1I sešli se k němu farizeové a někteří z zákoníků, kteříž byli přišli z Jeruzaléma.
2Zij zagen, dat enigen van zijn leerlingen brood aten met onreine, dat is met ongewassen handen.
2A uzřevše některé z učedlníků jeho obecnýma rukama (to jest neumytýma) jísti chleby, reptali o to.
3De farizeën toch en alle Joden eten niet, zonder zich de vingertoppen te hebben gewassen, getrouw aan de overlevering der ouden;
3Nebo farizeové i všickni Židé nejedí, leč by ruce umyli, držíce ustanovení starších.
4en ze eten niets van de markt, zonder het eerst te besprenkelen; en vele andere dingen zijn er, die ze krachtens overlevering te onderhouden hebben, zoals het wassen van drinkbekers, kannen en koperen vaten.
4A z trhu přijdouce nejedí, leč se umyjí. A jiné mnohé věci jsou, kteréž přijali, aby zachovávali, jako umývání koflíků, žejdlíků a medenic i stolů.
5De farizeën en de schriftgeleerden vroegen Hem dus: Waarom gedragen uw leerlingen zich niet naar de overlevering der ouden, en eten ze brood met onreine handen?
5Potom otázali se ho farizeové a zákoníci: Proč učedlníci tvoji nezachovávají ustanovení starších, ale neumytýma rukama jedí chléb?
6Hij sprak tot hen: Huichelaars; terecht heeft Isaias over u geprofeteerd, zoals er geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij;
6On pak odpověděv, řekl jim: Dobře o vás pokrytcích prorokoval Izaiáš, jakož psáno jest: Lid tento rty mne ctí, srdce pak jejich daleko jest ode mne.
7ze eren Mij tevergeefs, daar ze leerstellingen voordragen, die menselijke geboden zijn.
7Ale nadarmoť mne ctí, učíce učení, kterážto nejsou než ustanovení lidská.
8Gods gebod verwaarloost gij, maar aan de overlevering der mensen houdt gij vast.
8Nebo opustivše přikázání Boží, držíte ustanovení lidská, totiž umývání žejdlíků a koflíků; a jiné mnohé věci těm podobné činíte.
9Nog sprak Hij tot hen: Het staat u fraai, Gods gebod te verkrachten, om uw overlevering door te zetten.
9I pravil jim: Èistě vy rušíte přikázání Boží, abyste ustanovení své zachovali.
10Want Moses heeft gezegd: “Eer uw vader en moeder”, en: “Wie vader of moeder vloekt, moet sterven.”
10Nebo Mojžíš pověděl: Cti otce svého i matku svou, a kdož by zlořečil otci nebo mateři, ať smrtí umře.
11Gij echter zegt: Zo iemand tot vader en moeder zegt: “Korban (dat is offergave) is alles, waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn”,
11Ale vy pravíte: Řekl-li by člověk otci neb mateři: Korban, to jest, dar, kterýžkoli jest ode mne, toběť prospěje,
12dan mag hij volgens u niets meer voor zijn vader of moeder doen.
12A nedopustíte mu nic více učiniti otci svému nebo mateři své,
13Zo verkracht gij Gods woord door uw overlevering, die gij blijft leren. En dergelijke dingen doet gij bij hopen.
13Rušíce přikázání Boží ustanoveními vašimi, kteráž jste ustanovili. A mnohé těm podobné věci činíte.
14Hij riep de schare weer naar Zich toe, en sprak tot hen: Hoort allen naar Mij, en verstaat het goed!
14I svolav všecken zástup, pravil jim: Slyšte mne všickni a rozumějte.
15Niets kan den mens verontreinigen, wat van buitenaf in hem binnenkomt; maar wat er uitgaat van den mens, dat verontreinigt den mens.
15Nic není z zevnitřku vcházejícího do člověka, což by jej poskvrniti mohlo; ale to, což pochází z něho, toť jest, což poskvrňuje člověka.
16Zo iemand oren heeft om te horen, hij hore!
16Má-li kdo uši k slyšení, slyš.
17Toen Hij nu van het volk was weggegaan en thuis was gekomen, vroegen zijn leerlingen Hem naar de zin der parabel.
17A když všel do domu od zástupu, tázali se ho učedlníci jeho o tom podobenství.
18En Hij sprak tot hen: Zijt ook gij nog zonder begrip? Begrijpt gij dan niet, dat niets den mens kan verontreinigen, wat van buitenaf in hem binnenkomt?
18I řekl jim: Tak jste i vy nerozumní? Což nerozumíte, že všecko, což z zevnitřku do člověka vchází, nemůže ho poskvrniti?
19Want het komt niet in zijn hart, maar in de buik, en het gaat weer uit op zekere plaats. Hij verklaarde dus alle spijzen voor rein.
19Nebo nevchází v srdce jeho, ale v břicho, a potom ven vychází, čistěci všeliké pokrmy.
20En Hij ging voort: Wat er uitgaat van den mens, dat verontreinigt den mens.
20Ale pravil, že to, což pochází z člověka, to poskvrňuje člověka.
21Want van binnenaf, uit het hart der mensen, komen de slechte gedachten voort, ontucht, diefstal, moord,
21Nebo z vnitřku z srdce lidského zlá myšlení pocházejí, cizoložstva, smilstva, vraždy,
22echtbreuk, gierigheid, boosaardigheid, bedrog, wellust, afgunst, godslastering, hoogmoed, lichtzinnigheid.
22Krádeže, lakomství, nešlechetnosti, lest, nestydatost, oko zlé, rouhání, pýcha, bláznovství.
23Al die boze dingen komen van binnenaf, en verontreinigen den mens.
23Všecky tyto zlé věci pocházejí z vnitřku a poskvrňují člověka.
24Toen stond Hij op, en vertrok vandaar naar de streek van Tyrus. Daar ging Hij een huis binnen, maar wilde niet, dat iemand het wist. Toch kon Hij niet verborgen blijven.
24A vstav odtud, odšel do končin Týru a Sidonu, a všed do domu, nechtěl, aby kdo o něm věděl, ale nemohl se tajiti.
25Want een vrouw, wier dochtertje door een onreinen geest was bezeten, kwam, zodra ze van Hem had gehoord, naar Hem toe, en wierp zich aan zijn voeten neer.
25Nebo uslyševši o něm žena, jejížto dcerka měla ducha nečistého, přišla a padla k nohám jeho.
26De vrouw was een heiden, van syrofenicische afkomst. Ze bad Hem, den duivel uit haar dochter te drijven.
26(Byla pak ta žena pohanka, Syrofenitská rodem.) I prosila ho, aby ďábelství vyvrhl z její dcery.
27Jesus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; het is niet goed, het brood der kinderen te nemen, en het voor de hondjes te werpen.
27Ale Ježíš řekl jí: Nechať se prve nasytí synové; nebť není slušné vzíti chléb synů a vrci štěňatům.
28Maar ze gaf Hem ten antwoord: Jawel, Heer: de hondjes onder de tafel eten toch ook van de kruimels der kinderen.
28A ona odpověděla a řekla mu: Ovšem, Pane, nebo štěňátka jedí pod stolem drobty synů.
29Toen sprak Hij tot haar: Om zo’n woord moogt ge gaan; de duivel heeft uw dochter verlaten.
29I řekl jí: Pro tu řeč jdi, vyšloť jest ďábelství z tvé dcery.
30Ze ging naar huis, en vond het meisje te bed liggen; de duivel was uitgegaan.
30I odšedši do domu svého, nalezla děvečku, ana leží na loži, a ďábelství z ní vyšlo.
31Toen Hij weer uit de streek van Tyrus vertrok, ging Hij over Sidon naar het meer van Galilea, midden in het gebied der Dekápolis.
31Tedy odšed zase z končin Tyrských a Sidonských, přišel k moři Galilejskému, prostředkem krajin Desíti měst.
32Daar bracht men een doofstomme naar Hem toe, en smeekte Hem, dien de hand op te leggen.
32I přivedli jemu hluchého a němého, a prosili ho, aby na něj ruku vzložil.
33Hij nam hem ter zijde buiten de kring van de menigte, stak de vingers in zijn oren, spuwde, en raakte zijn tong daarmee aan.
33A pojav jej soukromí ven z zástupu, vložil prsty své v uši jeho, a plinuv, dotekl se jazyka jeho.
34Hij zag op naar de hemel, slaakte een zucht, en zeide tot hem: Effetá, dat is: ga open.
34A vzezřev k nebi, vzdechl, a řekl jemu: Effeta, to jest, otevři se.
35En terstond werden zijn oren geopend, en de band van zijn tong werd losgemaakt, en hij sprak goed.
35A hned otevříny jsou uši jeho, a rozvázán jest svazek jazyka jeho, i mluvil právě.
36Hij verbood hun, het iemand te zeggen. Maar hoe strenger Hij het hun verbood, des te luider ze het vertelden.
36I přikázal jim, aby žádnému nepravili. Ale jakžkoli on jim přikazoval, předce oni mnohem více ohlašovali.
37Ze stonden ten hoogste verbaasd, en ze zeiden: Hij heeft alles wél gedaan; de doven doet Hij horen, en de stommen doet Hij spreken.
37A převelmi se divili, řkouce: Dobře všecky věci učinil. I hluchým rozkázal slyšeti, i němým mluviti.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.