Marcus 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Toen zij Jerusalem naderden, bij Bétfage en Betánië op de Olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen vooruit,
1一行がエルサレムに近づき、オリーブ山にあるベテスファゲ とベタニアの近くまで来ると、イエスは二人の弟子を遣わして、
2en zei tot hen: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt. Zodra ge daar binnenkomt, zult ge er een veulen vinden vastgebonden, waarop nog geen mens heeft gezeten; maakt het los, en brengt het hier.
2彼らに言われた。 「向こうの村へ行きなさい。村に入るとすぐ、まだだれも乗ったことのない子ろばがつながれているのが見つかる。それを解いて、連れて来なさい。
3Zo iemand u zegt: Wat doet ge daar? zegt dan: de Heer heeft het nodig, maar Hij stuurt het dadelijk hier terug.
3もしだれかが、『なぜそんなことをするのか』と尋ねたら、『主がお入り用なのです。すぐにまたここへ返されます』と言いなさい。」
4Ze gingen heen, en vonden een veulen, vastgebonden voor de deur buiten op straat; en ze maakten het los.
4弟子たちが出かけて行くと、表通りに面した戸口の外に子ろばがつながれているのを見つけ、それを解いた。
5Enige omstanders zeiden tot hen: Wat hebt ge dat veulen los te maken?
5そこに立っていた人々の何人かが、「子ろばを解いて、何をしているのか」と尋ねた。
6Ze antwoordden hun, zoals Jesus hun bevolen had; en men liet ze begaan
6弟子たちがイエスに言われたとおりに答えると、人々は彼らを行かせた。
7Ze brachten het veulen bij Jesus, en legden er hun mantels op; en Hij zette Zich daarop neer.
7弟子たちは子ろばをイエスのもとに連れて来て、その上に自分たちの上着を掛けた。イエスはそれに乗られた。
8Nu spreidden velen hun mantels over de weg, en anderen de groene twijgen, die ze op de velden hadden gekapt.
8多くの人々は道に自分たちの上着を敷き、ほかの人々は木の枝を切って道に敷いた。
9En zij, die voorop gingen en volgden, riepen: Hosanna!
9前を行く者たちも後に従う者たちも叫んだ。「ホサナ。 主の名によって来られる方は、幸いである。
10Gezegend die komt in de naam des Heren; Gezegend het rijk van onzen vader David, dat komt; Hosanna in den hogen!
10主の名によって来る、われらの父ダビデの国は、幸いである。いと高き所にホサナ。」
11Zo trok Hij Jerusalem en de tempel binnen. En toen Hij alles had afgezien, en het intussen laat was geworden, keerde Hij met de twaalf naar Betánië terug.
11イエスはエルサレムに入り、神殿に入られた。そして、すべてを見回された後、すでに夕方になっていたので、十二人と共にベタニアへ出て行かれた。
12Toen zij de volgende dag uit Betánië vertrokken, kreeg Hij honger.
12翌日、一行がベタニアを出たとき、イエスは空腹を覚えられた。
13Van verre zag Hij een vijgeboom, die in het blad stond: Hij ging er heen, om te zien, of Hij er misschien iets aan kon vinden. Maar toen Hij er bij kwam, vond Hij er niets dan bladeren aan; want het was de tijd der vijgen niet.
13遠くに葉の茂ったいちじくの木をご覧になり、何か実が見つかるかと思って、そこへ行かれた。しかし、木のところに来ても、葉のほかには何も見つからなかった。いちじくの季節ではなかったからである。
14En Hij sprak tot hem: Nooit in der eeuwigheid eet iemand nog vruchten van u! Zijn leerlingen hoorden het.
14イエスはその木に、 「これから後、いつまでも、だれもおまえの実を食べない」 と言われた。弟子たちはそれを聞いていた。
15Zij kwamen in Jerusalem. Hij ging de tempel binnen, en begon er allen uit te drijven, die in de tempel verkochten en kochten; Hij smeet de tafels der wisselaars en de stoelen der duivenverkopers omver,
15一行はエルサレムに来た。イエスは神殿に入り、神殿の中で売り買いしている者たちを追い出し始め、両替人の台や鳩を売る者たちの腰掛けを倒された。
16en liet niet toe, dat nog iemand koopwaar door de tempel droeg.
16また、だれにも神殿を通って器を運ぶことをお許しにならなかった。
17En Hij leerde aldus: Staat er niet geschreven: “Mijn huis zal heten een huis van gebed voor alle volkeren; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt”.
17そして彼らに教えて言われた。 「『私の家は、すべての国民のための祈りの家と呼ばれる』と書かれているではないか。 それなのに、あなたがたはそれを強盗の巣にしてしまった。」
18De opperpriesters en schriftgeleerden hoorden het, en zochten een middel om Hem te doden; want ze waren bang voor Hem, daar al het volk in bewondering stond voor zijn leer.
18祭司長たちと律法学者たちはこれを聞き、どうすればイエスを滅ぼせるかと策を練った。群衆がみなイエスの教えに驚いていたので、彼らはイエスを恐れていた。
19Tegen de avond verlieten ze de stad.
19夕方になると、イエスは都の外へ出て行かれた。
20De volgende morgen kwamen zij langs de vijgeboom, en zagen, dat hij van de wortel af was verdord.
20朝早く、彼らが通りかかると、いちじくの木が根元から枯れているのを見た。
21Petrus herinnerde zich het gebeurde, en sprak tot Hem: Rabbi, zie eens: de vijgeboom, die Gij gevloekt hebt, is verdord.
21ペテロは思い出してイエスに言った。「先生、ご覧ください。呪われたいちじくの木が枯れています。」
22Jesus gaf hun ten antwoord: Hebt Godsgeloof!
22イエスは彼らに答えられた。 「神を信じなさい。
23Voorwaar, Ik zeg u: Zo iemand zegt tot deze berg: Hef u op, en werp u in zee; als hij niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft, dat er gebeurt wat hij zegt, dan zal het gebeuren.
23まことに、あなたがたに言う。だれでもこの山に向かって、『動いて、海に入れ』と言い、心の中で疑わず、自分の言うことが実現すると信じるなら、そのとおりになる。
24Daarom zeg Ik u: Zo gij iets vraagt in het gebed, gelooft dan, dat gij het verkrijgt; en gij zult het verkrijgen.
24だから、あなたがたに言う。祈り求めるものは何でも、すでに受けたと信じなさい。そうすれば、そのとおりになる。
25Maar wanneer gij staat te bidden, en gij iets tegen iemand hebt, vergeeft het dan: opdat uw Vader, die in de hemel is, ook u uw zonden vergeeft.
25立って祈るとき、だれかに恨みを抱いているなら、赦しなさい。そうすれば、天におられるあなたがたの父も、あなたがたの背きを赦してくださる。
26-
26しかし、あなたがたが赦さないなら、天におられるあなたがたの父も、あなたがたの背きを赦してくださらない。」
27Zo kwamen zij weer in Jerusalem terug. En terwijl Hij rondwandelde in de tempel, traden de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten op Hem toe,
27一行は再びエルサレムに来た。イエスが神殿の中を歩いておられると、祭司長たち、律法学者たち、長老たちが近寄って来て、
28en zeiden tot Hem: Met wat recht doet Gij dit alles; of wie heeft U het recht gegeven, om dit te doen?
28言い始めた。「何の権威によって、これらのことをしているのか。これらのことをする権威を、だれがあなたに与えたのか。」
29Jesus sprak tot hen: Ook Ik zal U één vraag stellen; zo gij Mij daarop antwoordt, dan zal ook Ik u zeggen, met welk recht Ik dit alles doe.
29イエスは彼らに言われた。 「私もあなたがたに一つ尋ねよう。答えなさい。そうすれば、何の権威によってこれらのことをしているのか、あなたがたに話そう。
30Was het doopsel van Johannes van de hemel of van de mensen? Antwoordt Mij!
30ヨハネのバプテスマは天からのものだったのか、それとも人からのものだったのか。答えなさい。」
31Ze overlegden bij zichzelf: Zo we zeggen: “van de hemel”, dan zal Hij antwoorden: waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
31彼らは互いに相談した。「もし『天から』と言えば、『では、なぜ彼を信じなかったのか』と言うだろう。
32Zouden we zeggen: “van de mensen”? …Maar ze waren bang voor het volk; want allen hielden Johannes voor een echten profeet.
32かといって、『人から』と言えば――。」彼らは群衆を恐れていた。皆がヨハネを本当に預言者だと認めていたからである。
33Ze gaven dus Jesus ten antwoord: We weten het niet. Nu sprak Jesus tot hen: Dan zeg Ik u evenmin, met welk recht Ik dit alles doe.
33そこで彼らはイエスに、「分かりません」と答えた。 イエスは彼らに言われた。 「それなら私も、何の権威によってこれらのことをしているのか、あなたがたに話さない。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.