Ezra
Chapter 5
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Maar toen de profeten Aggeus en Zakarias, de zoon van Iddo, onder de Joden, die in Juda en Jerusalem woonden, in de naam van Israëls God profeteerden,
1Ora, os profetas, o profeta Ageu e Zacarias, filho de Ido, profetizaram aos judeus que estavam em Judá e em Jerusalém. Eles lhes profetizaram em nome do Deus de Israel.
2hervatten Zorobabel, de zoon van Salatiël, en Jesjóea, de zoon van Josadak, de bouw van de tempel te Jerusalem, en Gods profeten ondersteunden hen daarbij.
2Então Zorobabel, filho de Sealtiel, e Jesua, filho de Jozadaque, se levantaram e começaram a construir a casa de Deus que está em Jerusalém; e com eles estavam os profetas de Deus, ajudando-os.
3Maar aanstonds kwamen Tattenai, de stadhouder van het gebied aan de overzijde van de Rivier, en Sjetar-Bozenai en hun ambtgenoten naar hen toe, en zeiden tot hen: Wie heeft u verlof gegeven, dit huis te bouwen en zijn muren te herstellen?
3Naquele mesmo tempo, Tatenai, o governador do outro lado do Rio, veio a eles, com Setar-Bozenai e seus companheiros, e lhes perguntou: “Quem lhes deu um decreto para construir esta casa e para terminar este muro?”
4En ze vroegen hun nog: Hoe heten de mannen, die deze bouw zijn begonnen?
4Eles também perguntaram os nomes dos homens que estavam fazendo esta construção.
5Maar het oog van hun God rustte op de oudsten der Joden; men dwong ze niet, de werkzaamheden te staken, voordat er een beslissing van Darius zou zijn afgekomen. Daarom zouden zij over deze aangelegenheid een schrijven verzenden.
5Mas os olhos do seu Deus estavam sobre os anciãos dos judeus, e eles não os fizeram parar até que o assunto chegasse a Dario, e uma resposta fosse enviada por carta a respeito disso.
6(Tekst van de brief, die Tattenai, de stadhouder van het gebied aan de overzijde van de Rivier, en Sjetar-Bozenai met hun ambtsgenoten, de generaals van de overzijde der Rivier, aan koning Darius hebben gezonden).
6A seguir está a cópia da carta que Tatenai, o governador do outro lado do Rio, e Setar-Bozenai, e seus companheiros, os afarsaquitas, que estavam do outro lado do Rio, enviaram ao rei Dario.
7Zij zonden hem een verslag van de volgende inhoud: Aan koning Darius, alle heil!
7Eles enviaram uma carta a ele, na qual estava escrito: Ao rei Dario, toda a paz.
8Het zij den koning bekend, dat wij ons naar de landstreek Juda hebben begeven, naar de tempel van den groten God. Deze wordt opgebouwd met steenblokken, en de wanden worden met hout bekleed; het werk wordt met zorg uitgevoerd, en vordert onder hun hand.
8Seja do conhecimento do rei que nós fomos à província de Judá, à casa do grande Deus, a qual está sendo construída com grandes pedras, e madeira está sendo colocada nas paredes. Esta obra prossegue com diligência e prospera em suas mãos.
9Wij hebben toen de oudsten daar ondervraagd, en hun gezegd: Wie heeft u verlof gegeven, dit huis te bouwen en deze muren te herstellen?
9Então nós perguntamos àqueles anciãos, e lhes dissemos assim: “Quem lhes deu um decreto para construir esta casa, e para terminar este muro?”
10Wij hebben hen ook naar hun namen gevraagd, om u op de hoogte te brengen, en u schriftelijk de namen der mannen op te geven, die aan hun hoofd staan.
10Nós também lhes perguntamos os seus nomes, para informá-lo, a fim de que pudéssemos escrever os nomes dos homens que estavam à frente deles.
11Zij hebben ons het volgende geantwoord: Wij zijn de dienaren van den God van hemel en aarde, en wij herbouwen het huis, dat vele jaren geleden gebouwd werd, en door een groot koning van Israël werd opgetrokken en voltooid.
11Assim eles nos responderam, dizendo: “Nós somos os servos do Deus dos céus e da terra e estamos construindo a casa que foi construída há muitos anos, a qual um grande rei de Israel construiu e terminou.
12Maar omdat onze vaderen den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij hen aan den Chaldeër Nabukodonosor, den koning van Babel, overgeleverd, en deze heeft deze tempel verwoest en het volk naar Babel weggevoerd.
12Mas depois que nossos pais provocaram a ira do Deus dos céus, ele os entregou nas mãos de Nabucodonosor, rei da Babilônia, o caldeu, que destruiu esta casa e levou o povo para a Babilônia.
13Maar in het eerste jaar van Cyrus, den koning van Babel, heeft koning Cyrus een bevel uitgevaardigd, om dit huis weer op te bouwen.
13Porém, no primeiro ano de Ciro, rei da Babilônia, o rei Ciro fez um decreto para construir esta casa de Deus.
14Bovendien heeft koning Cyrus de gouden en zilveren vaten van het Godshuis, welke Nabukodonosor uit de tempel van Jerusalem had weggenomen en naar de tempel van Babel had overgebracht, uit de tempel van Babel laten halen en aan Sjesjbassar overhandigen, dien hij tot stadhouder had aangesteld.
14Os utensílios de ouro e de prata da casa de Deus, que Nabucodonosor tirou do templo que estava em Jerusalém e levou para o templo da Babilônia, esses o rei Ciro também tirou do templo da Babilônia, e eles foram entregues a um homem cujo nome era Sesbazar, a quem ele havia nomeado governador.
15Hij zeide hem: Neem deze vaten, ga ze terugbrengen naar de tempel van Jerusalem, en laat het huis van God op zijn vroegere plaats herbouwen.
15Ele lhe disse: 'Pegue estes utensílios, vá, coloque-os no templo que está em Jerusalém, e que a casa de Deus seja construída em seu lugar.'
16Toen is Sjesjbassar hierheen gekomen, heeft de grondslagen van Jerusalems tempel gelegd, en van die tijd af is er tot nu toe aan gebouwd, zonder dat hij werd voltooid.
16Então o mesmo Sesbazar veio e lançou os alicerces da casa de Deus que está em Jerusalém. Desde aquele tempo até agora ela tem sido construída, e ainda não está terminada.”
17Indien de koning het goedvindt, laat men dan een onderzoek instellen in het koninklijk archief te Babel, of er inderdaad door koning Cyrus verlof is gegeven, om deze tempel van Jerusalem te herbouwen. Dan moge de koning ons zijn beslissing doen toekomen.
17Agora, portanto, se parecer bem ao rei, que se faça uma busca na casa dos tesouros do rei, que está lá na Babilônia, para ver se é verdade que um decreto foi feito pelo rei Ciro para construir esta casa de Deus em Jerusalém; e que o rei nos envie a sua vontade a respeito deste assunto.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.