Ezechiel
Chapter 48
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nu volgen de namen der stammen. In het uiterste noorden, naast de weg van Chetlon in de richting van Chamat naar Chaser-Enon, en met het grondgebied van Damascus en dat van Chamat ten noorden, krijgt Dan een gebied van oost- tot westgrens.
1Et hæc nomina tribuum a finibus aquilonis, juxta viam Hethalon, pergentibus Emath, atrium Enan terminus Damasci ad aquilonem, juxta viam Emath: et erit ei plaga orientalis mare, Dan una.
2Aser een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Dan.
2Et super terminum Dan, a plaga orientali usque ad plagam maris, Aser una.
3Neftali een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Aser.
3Et super terminum Aser, a plaga orientali usque ad plagam maris, Nephthali una.
4Manasse een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Neftali.
4Et super terminum Nephthali, a plaga orientali usque ad plagam maris, Manasse una.
5Efraïm een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Manasse.
5Et super terminum Manasse, a plaga orientali usque ad plagam maris, Ephraim una.
6Ruben een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Efraïm.
6Et super terminum Ephraim, a plaga orientali usque ad plagam maris, Ruben una.
7Juda een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Ruben.
7Et super terminum Ruben, a plaga orientali usque ad plagam maris, Juda una.
8Naast het gebied van Juda, van oost- tot westgrens, komt het heilig gebied te liggen, dat ge moet afstaan, en dat vijf en twintig duizend el breed is, en even lang als een der andere gebieden van oost- tot westgrens. Midden daarop komt het heiligdom te staan.
8Et super terminum Juda, a plaga orientali usque ad plagam maris, erunt primitiæ quas separabitis, viginti quinque millibus latitudinis et longitudinis, sicuti singulæ partes a plaga orientali usque ad plagam maris: et erit sanctuarium in medio ejus.
9Het gebied, dat ge aan Jahweh moet afstaan, is vijf en twintig duizend el lang en twintig duizend breed.
9Primitiæ quas separabitis Domino, longitudo viginti quinque millibus, et latitudo decem millibus.
10Voor de volgende personen zal het heilig gebied bestemd zijn: De priesters krijgen een gebied, dat aan de noordkant vijf en twintig duizend el lang is, aan de westkant tienduizend breed, aan de oostkant tienduizend breed, en aan de zuidkant vijf en twintig duizend lang. Midden daarop komt het heiligdom van Jahweh te staan.
10Hæ autem erunt primitiæ sanctuarii sacerdotum, ad aquilonem longitudinis viginti quinque millia, et ad mare latitudinis decem millia, sed et ad orientem latitudinis decem millia, et ad meridiem longitudinis viginti quinque millia: et erit sanctuarium Domini in medio ejus.
11Aan de gewijde priesters, de zonen van Sadok, die mijn dienst hebben waargenomen, en die niet evenals de levieten afgedwaald zijn, toen de Israëlieten afdwaalden,
11Sacerdotibus sanctuarium erit de filiis Sadoc, qui custodierunt cæremonias meas, et non erraverunt cum errarent filii Israël, sicut erraverunt et Levitæ.
12zal het toebehoren als deel van het heilig gebied, als iets hoogheiligs, grenzend aan het terrein der levieten.
12Et erunt eis primitiæ de primitiis terræ Sanctum sanctorum, juxta terminum Levitarum.
13Evenwijdig aan het terrein der priesters krijgen de levieten een terrein van vijf en twintig duizend el lang en tien duizend breed. Samen dus een lengte van vijf en twintig duizend el en een breedte van twintig duizend.
13Sed et Levitis similiter, juxta fines sacerdotum, viginti quinque millia longitudinis, et latitudinis decem millia. Omnis longitudo viginti et quinque millium, et latitudo decem millium.
14Niets mogen ze daarvan verkopen of inruilen; het beste van het land mag niet in andere handen overgaan, want het is aan Jahweh gewijd.
14Et non venundabunt ex eo, neque mutabunt: neque transferentur primitiæ terræ, quia sanctificatæ sunt Domino.
15De vijfduizend el, die van de breedte overblijven, op de strook van de vijf en twintig duizend el, is profaan land, en dient de stad tot woonplaats en weidegrond. Midden daarop komt de stad te staan.
15Quinque millia autem quæ supersunt in latitudine per viginti quinque millia, profana erunt urbis in habitaculum et in suburbana: et erit civitas in medio ejus.
16Dit is de omvang van de stad: aan de noordkant vijf en veertig honderd el, aan de zuidkant vijf en veertig honderd, aan de oostkant vijf en veertig honderd en aan de westkant vijf en veertig honderd.
16Et hæ mensuræ ejus: ad plagam septentrionalem, quingenta et quatuor millia: et ad plagam meridianam, quingenta et quatuor millia: et ad plagam orientalem, quingenta et quatuor millia: et ad plagam occidentalem, quingenta et quatuor millia.
17Daarenboven een weidegrond voor de stad van tweehonderd vijftig el in het noorden, tweehonderd vijftig in het zuiden, tweehonderd vijftig in het oosten en tweehonderd vijftig in het westen.
17Erunt autem suburbana civitatis ad aquilonem, ducenta quinquaginta: et ad meridiem, ducenta quinquaginta: et ad orientem, ducenta quinquaginta: et ad mare, ducenta quinquaginta.
18Wat er dan van de lengte langs het heilig gebied overblijft, namelijk tienduizend el oostelijk en tienduizend westelijk, daarvan zal de opbrengst dienen tot levensonderhoud van de bewoners der stad.
18Quod autem reliquum fuerit in longitudine secundum primitias sanctuarii, decem millia in orientem, et decem millia in occidentem, erunt sicut primitiæ sanctuarii: et erunt fruges ejus in panes his qui serviunt civitati.
19Uit alle stammen van Israël zal de bevolking der stad samengesteld zijn.
19Servientes autem civitati, operabuntur ex omnibus tribubus Israël.
20Dit gehele gebied:een vierkant van vijf en twintig duizend el bij vijf en twintig duizend el, moet ge afstaan als heilig gebied en stadsbezit.
20Omnes primitiæ viginti quinque millium, per viginti quinque millia in quadrum, separabuntur in primitias sanctuarii, et in possessionem civitatis.
21Wat er overblijft is voor den vorst. Wat aan weerskanten van het heilig gebied en het stadsbezit ligt, oostelijk naast de vijf en twintig duizend el van het heilig gebied tot de oostgrens toe, en westelijk naast de vijf en twintig duizend el van het heilig gebied tot de westgrens toe, en wat evenwijdig aan de stamgebieden loopt, zal den vorst toebehoren. Het heilig gebied met de tempel zal er middenin liggen.
21Quod autem reliquum fuerit, principis erit ex omni parte primitiarum sanctuarii, et possessionis civitatis e regione viginti quinque millium primitiarum usque ad terminum orientalem: sed et ad mare, e regione viginti quinque millium, usque ad terminum maris, similiter in partibus principis erit: et erunt primitiæ sanctuarii, et sanctuarium templi, in medio ejus.
22Het land, dat enerzijds aan het grondbezit der levieten en het stadsbezit grenst—die midden tussen het gebied van den vorst liggen—en dat anderzijds tussen de gebieden van Juda en Benjamin ligt, zal den vorst toebehoren.
22De possessione autem Levitarum, et de possessione civitatis in medio partium principis, erit inter terminum Juda et inter terminum Benjamin, et ad principem pertinebit.
23Wat de overige stammen betreft: Benjamin krijgt een gebied van oost- tot westgrens;
23Et reliquis tribubus, a plaga orientali usque ad plagam occidentalem, Benjamin una.
24Simeon een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Benjamin;
24Et contra terminum Benjamin, a plaga orientali usque ad plagam occidentalem, Simeon una.
25Issakar een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Simeon;
25Et super terminum Simeonis, a plaga orientali usque ad plagam occidentalem, Issachar una.
26Zabulon een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Issakar;
26Et super terminum Issachar, a plaga orientali usque ad plagam occidentalem, Zabulon una.
27Gad een gebied van oost- tot westgrens, naast dat van Zabulon.
27Et super terminum Zabulon, a plaga orientali usque ad plagam maris, Gad una.
28Naast het gebied van Gad, aan de kant van de Négeb, ten zuiden, loopt de grens. Deze gaat van Tamar over het water van Meribat-Kadesj en langs de beek naar de grote zee.
28Et super terminum Gad, ad plagam austri in meridie: et erit finis de Thamar usque ad aquas contradictionis Cades: hæreditas contra mare magnum.
29Tot zover dus over het land, dat ge aan de stammen van Israël als erfdeel moet toewijzen, en over hun stamgebieden, spreekt Jahweh, de Heer.
29Hæc est terra quam mittetis in sortem tribubus Israël, et hæ partitiones earum, ait Dominus Deus.
30Nu volgen de uitgangen van de stad.
30Et hi egressus civitatis: a plaga septentrionali, quingentos et quatuor millia mensurabis.
31De stadspoorten zijn naar de stammen van Israël genoemd. Aan de noordkant, die vijf en veertighonderd el lang is, liggen drie poorten: een Rubenpoort, een Judapoort en een Levipoort.
31Et portæ civitatis ex nominibus tribuum Israël: portæ tres a septentrione: porta Ruben una, porta Juda una, porta Levi una.
32Aan de oostkant, die vijf en veertighonderd el lang is, liggen drie poorten: een Josefpoort, een Benjaminpoort en een Danpoort.
32Et ad plagam orientalem, quingentos et quatuor millia, et portæ tres: porta Joseph una, porta Benjamin una, porta Dan una.
33Aan de zuidkant, die vijf en veertighonderd el lang is, liggen drie poorten: een Simeonpoort, een Issakarpoort en een Zabulonpoort.
33Et ad plagam meridianam, quingentos et quatuor millia metieris, et portæ tres: porta Simeonis una, porta Issachar una, porta Zabulon una.
34Aan de westzijde, die vijf en veertighonderd el lang is, liggen drie poorten: een Gadpoort, een Aserpoort en een Neftalipoort.
34Et ad plagam occidentalem, quingentos et quatuor millia, et portæ eorum tres: porta Gad una, porta Aser una, porta Nephthali una.
35De gehele omtrek bedraagt achttienduizend el. En de naam der stad zal voortaan zijn: Jahweh is daar!
35Per circuitum, decem et octo millia: et nomen civitatis ex illa die, Dominus ibidem.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.