Ezechiel 35
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1Et factus est sermo Domini ad me, dicens:
2Mensenkind, ge moet uw gelaat richten naar het Seïr-gebergte; profeteer ertegen,
2Fili hominis, pone faciem tuam adversum montem Seir, et prophetabis de eo, et dices illi:
3en zeg: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Bergen van Seïr, Ik kom op u af, strek mijn hand tegen u uit, en verander u in een steppe en een wildernis.
3[Hæc dicit Dominus Deus: Ecce ego ad te, mons Seir: et extendam manum meam super te, et dabo te desolatum atque desertum.
4Ik maak uw steden tot puin, en zelf zult ge een steppe worden. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
4Urbes tuas demoliar, et tu desertus eris: et scies quia ego Dominus.
5Omdat ge van oudsher vijandig waart en de zonen van Israël aan de punt van het zwaard hebt opgeofferd, toen zij in nood verkeerden, en de schuld het hoogtepunt bereikte;
5Eo quod fueris inimicus sempiternus, et concluseris filios Israël in manus gladii in tempore afflictionis eorum, in tempore iniquitatis extremæ:
6daarom, zowaar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer: Aan bloed hebt ge u vergrepen, dan zal bloed u vervolgen. In bloed zal Ik u veranderen, bloed zal u vervolgen.
6propterea vivo ego, dicit Dominus Deus, quoniam sanguini tradam te, et sanguis te persequetur: et cum sanguinem oderis, sanguis persequetur te.
7Ik maak het Seïr-gebergte tot een steppe en een wildernis; ieder, die er komt of gaat, zal Ik eruit verdelgen.
7Et dabo montem Seir desolatum atque desertum, et auferam de eo euntem et redeuntem.
8Met uw gesneuvelden zal Ik uw hoogten, uw dalen en al uw kloven overdekken; ze vallen daarin neer, getroffen door het zwaard!
8Et implebo montes ejus occisorum suorum: in collibus tuis, et in vallibus tuis atque in torrentibus, interfecti gladio cadent.
9Ik verander u in een woestenij voor eeuwig; nooit meer worden uw steden bewoond. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
9In solitudines sempiternas tradam te, et civitates tuæ non habitabuntur: et scietis quia ego Dominus Deus.
10Omdat ge dacht: “Beide volken en beide landen worden van mij, wij nemen ze in bezit”; terwijl toch Jahweh daar woont;
10Eo quod dixeris: Duæ gentes et duæ terræ meæ erunt, et hæreditate possidebo eas, cum Dominus esset ibi:
11daarom zegt Jahweh, de Heer: Zowaar Ik leef, Ik zal u even toornig en jaloers behandelen, als gij in uw haat met hen hebt gehandeld. Ik zal Mij aan u openbaren, als Ik u richt.
11propterea vivo ego, dicit Dominus Deus, quia faciam juxta iram tuam, et secundum zelum tuum, quem fecisti odio habens eos: et notus efficiar per eos, cum te judicavero.
12Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben. Ik heb al de schimpscheuten verstaan, die ge over de bergen van Israël hebt uitgeroepen: Ze liggen verwoest, ze vallen ons toe als buit!
12Et scies quia ego Dominus audivi universa opprobria tua quæ locutus es de montibus Israël, dicens: Deserti; nobis ad devorandum dati sunt.
13Ge hebt een grote mond tegen Mij opgezet, overmoedig tegen Mij gesproken, maar Ik heb het verstaan.
13Et insurrexistis super me ore vestro, et derogastis adversum me verba vestra: ego audivi.
14Dit zegt Jahweh, de Heer: Tot vreugde van heel de aarde zal Ik u in een steppe veranderen.
14Hæc dicit Dominus Deus: Lætante universa terra, in solitudinem te redigam:
15Zoals ge u verheugd hebt over het erfdeel van Israëls huis, omdat het verwoest ligt, zo zal Ik hetzelfde doen met u! Verwoest zult ge liggen, bergen van Seïr, en heel Edom zal te gronde gaan! Zó zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
15sicuti gavisus es super hæreditatem domus Israël eo quod fuerit dissipata, sic faciam tibi: dissipatus eris, mons Seir, et Idumæa omnis: et scient quia ego Dominus.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.