Handelingen 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toch was er ook een zeker man, Ananias genaamd, die in overleg met Safira, zijn vrouw, een landgoed verkocht,
1Vir autem quidam nomine Ananias, cum Saphira uxore suo vendidit agrum,
2maar die met medeweten van zijn vrouw iets van de opbrengst achterhield, er enkel een gedeelte van meebracht, en het voor de voeten der apostelen legde.
2et fraudavit de pretio agri, conscia uxore sua: et afferens partem quamdam, ad pedes Apostolorum posuit.
3Toen sprak Petrus: Ananias, waarom heeft satan beslag gelegd op heel uw hart, dat ge den Heiligen Geest bedriegt en van de opbrengst van het landgoed iets achterhoudt?
3Dixit autem Petrus: Anania, cur tentavit Satanas cor tuum, mentiri te Spiritui Sancto, et fraudare de pretio agri?
4Was het niet uw eigendom, vóór het verkocht werd; en bleef ook de verkoopprijs niet te uwer beschikking? Hoe komt het, dat ge deze daad in uw hart hebt beraamd? Ge hebt geen mensen belogen, maar God.
4nonne manens tibi manebat, et venundatum in tua erat potestate? quare posuisti in corde tuo hanc rem? non es mentitus hominibus, sed Deo.
5Toen Ananias deze woorden vernam, zakte hij ineen, en gaf de geest. Grote vrees beving allen, die het vernamen.
5Audiens autem Ananias hæc verba, cecidit, et expiravit. Et factus est timor magnus super omnes qui audierunt.
6En de jongsten kwamen hem afleggen, droegen hem weg, en begroeven hem.
6Surgentes autem juvenes amoverunt eum, et efferentes sepelierunt.
7Drie uur later ongeveer kwam ook zijn vrouw binnen, die van het gebeurde niets wist.
7Factum est autem quasi horarum trium spatium, et uxor ipsius, nesciens quod factum fuerat, introivit.
8Petrus zeide tot haar: Zeg mij; hebt gij voor zo en zoveel het landgoed verkocht? Ze zei: Ja, voor zóveel.
8Dixit autem ei Petrus: Dic mihi mulier, si tanti agrum vendidistis? At illa dixit: Etiam tanti.
9Toen sprak Petrus tot haar: Wat; hebt gij dan samengespannen, den Geest des Heren te tarten Zie, de voeten van hen, die uw man hebben begraven, staan aan de deur, om ook u uit te dragen.
9Petrus autem ad eam: Quid utique convenit vobis tentare Spiritum Domini? Ecce pedes eorum qui sepelierunt virum tuum ad ostium, et efferent te.
10Onmiddellijk zakte ze voor zijn voeten ineen, en gaf de geest. De jonge mannen vonden haar dood bij hun terugkomst; ze droegen haar weg en begroeven haar bij haar man.
10Confestim cecidit ante pedes ejus, et expiravit. Intrantes autem juvenes invenerunt illam mortuam: et extulerunt, et sepelierunt ad virum suum.
11En grote vrees beving heel de gemeente en allen, die het vernamen.
11Et factus est timor magnus in universa ecclesia, et in omnes qui audierunt hæc.
12Intussen geschiedden er door de handen der apostelen veel tekenen en wonderen onder het volk. Allen bleven eendrachtig samenkomen in de zuilengang van Sálomon
12Per manus autem Apostolorum fiebant signa et prodigia multa in plebe. Et erant unanimiter omnes in porticu Salomonis.
13en niemand van de anderen durfde hen lastig vallen; integendeel, het volk sprak slechts met lof over hen.
13Ceterorum autem nemo audebat se conjungere illis: sed magnificabat eos populus.
14Steeds meer sloten er zich bij hen aan, die in den Heer geloofden; hele groepen van mannen en vrouwen.
14Magis autem augebatur credentium in Domino multitudo virorum ac mulierum,
15Zo kwam het, dat men zelfs de zieken op straat droeg, en op rustbanken en bedden legde: opdat, als Petrus voorbijging, zijn schaduw tenminste op een van hen zou vallen.
15ita ut in plateas ejicerent infirmos, et ponerent in lectulis et grabatis, ut, veniente Petro, saltem umbra illius obumbraret quemquam illorum, et liberarentur ab infirmitatibus suis.
16Zelfs uit de steden rondom Jerusalem stroomde het volk bijeen; ze brachten de zieken mee en hen, die door onreine geesten werden gekweld; en allen werden genezen.
16Concurrebat autem et multitudo vicinarum civitatum Jerusalem, afferentes ægros, et vexatos a spiritibus immundis: qui curabantur omnes.
17Maar nu greep de hogepriester in met heel zijn aanhang, die de sekte der sadduceën vormde; ze waren jaloers, door en door.
17Exsurgens autem princeps sacerdotum, et omnes qui cum illo erant (quæ est hæresis sadducæorum), repleti sunt zelo:
18Ze sloegen de hand aan de apostelen, en wierpen ze in de openbare gevangenis.
18et injecerunt manus in Apostolos, et posuerunt eos in custodia publica.
19Maar een engel des Heren opende ‘s nachts de deuren der gevangenis, bracht hen naar buiten, en sprak:
19Angelus autem Domini per noctem aperiens januas carceris, et educens eos, dixit:
20Gaat heen, treedt op in de tempel, en verkondigt aan het volk al de woorden van deze levensleer.
20Ite, et stantes loquimini in templo plebi omnia verba vitæ hujus.
21Ze gehoorzaamden, en gingen tegen de morgen naar de tempel, en gaven er onderricht. Intussen had de hogepriester met zijn partijgenoten de Hoge Raad bijeen geroepen met heel de senaat der Israëlieten, en liet men ze uit de kerker halen.
21Qui cum audissent, intraverunt diluculo in templum, et docebant. Adveniens autem princeps sacerdotum, et qui cum eo erant, convocaverunt concilium, et omnes seniores filiorum Israël: et miserunt ad carcerem ut adducerentur.
22Maar toen de dienaars daar kwamen, vonden ze hen niet in de kerker; ze keerden dus terug, om verslag uit te brengen,
22Cum autem venissent ministri, et aperto carcere non invenissent illos, reversi nuntiaverunt,
23en zeiden: We vonden de kerker met zorg gesloten, en de wachters voor de deur; maar na opening vonden we niemand daarbinnen.
23dicentes: Carcerem quidem invenimus clausum cum omni diligentia, et custodes stantes ante januas: aperientes autem neminem intus invenimus.
24Toen de hoofdman der tempelwacht en de opperpriesters dit hoorden, vroegen ze zich verlegen af, wat dat betekenen moest.
24Ut autem audierunt hos sermones magistratus templi et principes sacerdotum, ambigebant de illis quidnam fieret.
25Daar kwam iemand hun melden: Zie, de mannen, die gij in de gevangenis hebt geworpen, staan in de tempel, en onderrichten het volk.
25Adveniens autem quidam, nuntiavit eis: Quia ecce viri quos posuistis in carcerem, sunt in templo, stantes et docentes populum.
26Nu ging de hoofdman met de dienaars hen halen, maar zonder geweld te gebruiken; want ze waren bang, dat ze door het volk zouden worden gestenigd.
26Tunc abiit magistratus cum ministris, et adduxit illos sine vi: timebant enim populum ne lapidarentur.
27Ze leidden hen weg, en brachten ze voor de Hoge Raad. De hogepriester ondervroeg hen,
27Et cum adduxissent illos, statuerunt in concilio: et interrogavit eos princeps sacerdotum,
28en sprak: We hebben u ten strengste verboden, in die Naam te onderrichten; en zie, gij hebt heel Jerusalem vervuld met uw leer, en wilt ons het bloed van dien mens ten laste leggen.
28dicens: Præcipiendo præcepimus vobis ne doceretis in nomine isto, et ecce replestis Jerusalem doctrina vestra: et vultis inducere super nos sanguinem hominis istius.
29Maar Petrus en de apostelen gaven ten antwoord: Men moet meer gehoorzaam zijn aan God, dan aan mensen.
29Respondens autem Petrus et Apostoli, dixerunt: Obedire oportet Deo magis quam hominibus.
30De God onzer vaderen heeft Jesus opgewekt, dien gij aan het kruis hebt geslagen, en gedood.
30Deus patrum nostrorum suscitavit Jesum, quem vos interemistis, suspendentes in ligno.
31Hem heeft God verheven aan zijn rechterhand als Leidsman en Verlosser, om aan Israël bekering te schenken en vergiffenis van zonden.
31Hunc principem et salvatorem Deus exaltavit dextera sua ad dandam pœnitentiam Israëli, et remissionem peccatorum:
32En van deze dingen zijn wij de getuigen, maar ook de Heilige Geest, dien God heeft gegeven aan allen, die Hem gehoorzamen.
32et nos sumus testes horum verborum, et Spiritus Sanctus, quem dedit Deus omnibus obedientibus sibi.
33Toen ze dit hoorden, werden ze woedend, en wilden hen doden.
33Hæc cum audissent, dissecabantur, et cogitabant interficere illos.
34Maar nu stond er in de vergadering een farizeër op, Gamáliël genaamd, een leraar der Wet, die door het hele volk werd vereerd; hij beval, de mannen even naar buiten te brengen.
34Surgens autem quidam in concilio pharisæus, nomine Gamaliel, legis doctor, honorabilis universæ plebi, jussit foras ad breve homines fieri,
35Toen sprak hij tot hen: Mannen van Israël, bedenkt goed, wat gij met deze mensen gaat doen.
35dixitque ad illos: Viri Israëlitæ, attendite vobis super hominibus istis quid acturi sitis.
36Enige tijd geleden stond Teudas op, en gaf zich voor heel iets bijzonders uit; en ongeveer vierhonderd mannen sloten zich bij hem aan. Hij werd gedood, en al zijn aanhangers werden verstrooid en verdwenen.
36Ante hos enim dies extitit Theodas, dicens se esse aliquem, cui consensit numerus virorum circiter quadringentorum: qui occisus est, et omnes qui credebant ei, dissipati sunt, et redacti ad nihilum.
37Na hem, in de dagen der volkstelling stond Judas de Galileër op, en sleepte een grote menigte mee; ook hij vond de dood, en al zijn aanhangers werden verstrooid.
37Post hunc extitit Judas Galilæus in diebus professionis, et avertit populum post se: et ipse periit, et omnes quotquot consenserunt ei, dispersi sunt.
38En daarom zeg ik u thans: Bemoeit u niet met deze lieden, en laat hen begaan. Want als dit plan of dit werk van mensen stamt, zal het mislukken.
38Et nunc itaque dico vobis, discedite ab hominibus istis, et sinite illos: quoniam si est ex hominibus consilium hoc aut opus, dissolvetur:
39Maar komt het van God, dan kunt gij het niet tegenhouden, of gij komt in verzet tegen God.
39si vero ex Deo est, non poteritis dissolvere illud, ne forte et Deo repugnare inveniamini. Consenserunt autem illi.
40Men stemde hem toe. Ze riepen de apostelen binnen, lieten hen geselen, en verboden hun, in de naam van Jesus te spreken; toen liet men ze gaan.
40Et convocantes Apostolos, cæsis denuntiaverunt ne omnino loquerentur in nomine Jesu, et dimiserunt eos.
41Ze gingen heen uit de Hoge Raad, verheugd, dat ze waardig waren bevonden, versmading te lijden voor de Naam.
41Et illi quidem ibant gaudentes a conspectu concilii, quoniam digni habiti sunt pro nomine Jesu contumeliam pati.
42En ze hielden niet op, iedere dag opnieuw in de tempel en in de huizen te leren, en de blijde boodschap te preken, dat Jesus de Christus is.
42Omni autem die non cessabant in templo et circa domos, docentes et evangelizantes Christum Jesum.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.