2 Korintiers 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Broeders, we stellen u in kennis van de genade Gods, die aan de kerken van Macedónië is geschonken;
1Now we make known unto you, brethren, the grace of God, that hath been given in the churches of Macedonia.
2zodat te midden van veel beproeving en wederwaardigheden haar hoogste blijdschap en haar diepste armoede een rijke overvloed van milddadigheid deden ontstaan.
2That in much experience of tribulation, they have had abundance of joy; and their very deep poverty hath abounded unto the riches of their simplicity.
3Want ze gaven naar vermogen; ik durf zeggen, boven vermogen. Uit vrije beweging,
3For according to their power (I bear them witness), and beyond their power, they were willing.
4en met grote aandrang verzochten ze zelfs het ons als een gunst, te mogen meedoen aan de ondersteuning der heiligen.
4With much entreaty begging of us the grace and communication of the ministry that is done toward the saints.
5Maar wat meer was dan we hadden durven verwachten: ze gaven zelfs hun eigen persoon, eerst aan den Heer, toen aan ons, overeenkomstig de wil van God.
5And not as we hoped, but they gave their own selves first to the Lord, then to us by the will of God:
6Daarom hebben we Titus verzocht, dit liefdewerk, waarmee hij vroeger onder u was begonnen, nu ook tot een goed einde te brengen;
6Insomuch, that we desired Titus, that as he had begun, so also he would finish among you this same grace.
7maar ú, om ook in dit liefdewerk uit te munten, zoals gij uitmunt in alles: in geloof, spreken, kennis, in ijver op allerlei gebied, in uw liefde tot ons.
7That as in all things you abound in faith, and word, and knowledge, and all carefulness; moreover also in your charity towards us, so in this grace also you may abound.
8Ik bedoel dit niet als een bevel, maar als een toets uwer waarachtige liefde aan de toewijding van anderen.
8I speak not as commanding; but by the carefulness of others, approving also the good disposition of your charity.
9Gij kent toch de liefdedaad van onzen Heer Jesus Christus:hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede.
9For you know the grace of our Lord Jesus Christ, that being rich he became poor, for your sakes; that through his poverty you might be rich.
10Ik geef dus slechts een raad in deze aangelegenheid; dit is voor u voldoende. Want verleden jaar zijt gij de eerste geweest niet alleen in het handelen, maar zelfs in het willen.
10And herein I give my advice; for this is profitable for you, who have begun not only to do, but also to be willing, a year ago.
11Nu dan, brengt ook de daad zelf tot een goed einde, opdat aan ijver naar de wil ook de daad naar draagkracht mag beantwoorden.
11Now therefore perform ye it also in deed; that as your mind is forward to be willing, so it may be also to perform, out of that which you have.
12Zo de goedgeefsheid evenredig is aan wat men bezit, is ze welgevallig; zo niet, dan is ze het niet.
12For if the will be forward, it is accepted according to that which a man hath, not according to that which he hath not.
13Want gij behoeft uzelf niet in verlegenheid te brengen, om anderen te verlichten, maar het geschiede volgens een zeker evenwicht.
13For I mean not that others should be eased, and you burthened, but by an equality.
14Uw overvloed moet thans hun gebrek ten goede komen, opdat eens ook hun overvloed uw gebrek mag verhelpen. Zó blijft er evenwicht bestaan,
14In this present time let your abundance supply their want, that their abundance also may supply your want, that there may be an equality,
15gelijk geschreven staat: “Hij die veel had, had niet te veel; en hij die weinig had, kwam niet te kort.”
15As it is written: He that had much, had nothing over; and he that had little, had no want.
16God zij dank, die in Titus’ hart zulk een ijver voor u heeft neergelegd,
16And thanks be to God, who hath given the same carefulness for you in the heart of Titus.
17dat hij niet slechts aan onze oproep gehoor gaf, maar geheel uit vrije beweging en zelfs met geestdrift naar u toe is gegaan.
17For indeed he accepted the exhortation; but being more careful, of his own will he went unto you.
18Tegelijk met hem zenden we den broeder mee, die door alle kerken om zijn evangeliewerk geprezen wordt,
18We have sent also with him the brother, whose praise is in the gospel through all the churches.
19en die bovendien door de kerken aangewezen is tot onzen reisgezel bij het liefdewerk, dat we tot glorie des Heren en tot bewijs onzer bereidvaardigheid hebben ondernomen.
19And not that only, but he was also ordained by the churches companion of our travels, for this grace, which is administered by us, to the glory of the Lord, and our determined will:
20Hierdoor voorkomen we, dat iemand ons zou verdenken bij het beheer van deze rijke gave;
20Avoiding this, lest any man should blame us in this abundance which is administered by us.
21want we zijn bedacht op de goede schijn, niet slechts in de ogen des Heren, maar ook in de ogen der mensen.
21For we forecast what may be good not only before God, but also before men.
22Met hen beiden zenden we onzen broeder mee, dien we vaak in veel zaken vol ijver bevonden, en die thans met nog meer ijver is bezield door zijn groot vertrouwen op u.
22And we have sent with them our brother also, whom we have often proved diligent in many things; but now much more diligent, with much confidence in you,
23Wat Titus betreft, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; wat de broeders aangaat, ze zijn afgevaardigden der kerken, de glorie van Christus.
23Either for Titus, who is my companion and fellow labourer towards you, or our brethren, the apostles of the churches, the glory of Christ.
24Welnu dan, levert hun ten overstaan der kerken het onomstotelijk bewijs van úw liefde, en van òns recht, om te roemen op u.
24Wherefore shew ye to them, in the sight of the churches, the evidence of your charity, and of our boasting on your behalf.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.