2 Kronieken 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1De burgers van Jerusalem riepen nu zijn jongsten zoon Achazjáhoe tot zijn opvolger uit; want al de oudere zonen waren vermoord door de troep, die met de Arabieren in de legerplaats was binnengedrongen. Zo werd Achazjáhoe, de zoon van koning Joram, koning van Juda.
1Os habitantes de Jerusalém fizeram de Acazias, seu filho mais novo, rei em seu lugar, porque o bando de homens que veio com os árabes ao acampamento havia matado todos os mais velhos. Assim reinou Acazias, filho de Jeorão, rei de Judá.
2Achazjáhoe was twee en twintig jaar, toen hij koning werd, en regeerde één jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Atalj hoe, en was de dochter van Omri.
2Acazias tinha quarenta e dois anos de idade quando começou a reinar, e reinou um ano em Jerusalém. O nome de sua mãe era Atalia, filha de Onri.
3Ook hij volgde het wangedrag van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn goddeloze raadgeefster.
3Ele também andou nos caminhos da casa de Acabe, porque sua mãe era sua conselheira para agir perversamente.
4Zo deed hij wat kwaad was in de ogen van Jahweh, evenals het huis Achab; want die waren na de dood van zijn vader zijn raadsmannen, tot zijn eigen verderf.
4Ele fez o que era mau aos olhos do SENHOR, assim como a casa de Acabe, pois eles foram seus conselheiros após a morte de seu pai, para a sua destruição.
5Het was dan ook op hun aanraden, dat hij met Joram, den zoon van koning Achab van Israël, ten strijde trok tegen koning Chazaël van Aram naar Ramot Gilad. Maar Joram werd door de Ramieten gewond.
5Ele também seguiu o conselho deles e foi com Jeorão, filho de Acabe, rei de Israel, à guerra contra Hazael, rei da Síria, em Ramote-Gileade; e os sírios feriram Jorão.
6Daarom keerde deze terug, om te Jizreël te herstellen van de wonden, die men hem in de oorlog met Chazaël, den koning van Aram, bij Rama had toegebracht. Bij deze gelegenheid kwam Achazjáhoe, de zoon van Joram, den koning van Juda, den zieken Joram, den zoon van Achab, te Jizreël bezoeken.
6Ele voltou para ser curado em Jezreel dos ferimentos que lhe haviam causado em Ramá, quando lutou contra Hazael, rei da Síria. Azarias, filho de Jeorão, rei de Judá, desceu para ver Jeorão, filho de Acabe, em Jezreel, porque ele estava doente.
7Het was echter door God tot de ondergang van Achazjáhoe beschikt, dat deze bij Joram zou komen en na zijn aankomst met Joram zou uittrekken, om Jehoe, den zoon van Nimsji, tegemoet te gaan, die door Jahweh gezalfd was, om het huis Achab uit te roeien.
7Ora, a destruição de Acazias veio de Deus, por ter ido a Jorão; pois, quando ele chegou, saiu com Jeorão contra Jeú, filho de Ninsi, a quem o SENHOR havia ungido para exterminar a casa de Acabe.
8Want toen Jehoe met het huis Achab had afgerekend, stiet hij op enige voorname Judeërs en neven van Achazjáhoe, die in dienst stonden van Achazjáhoe, en ook hen liet hij vermoorden.
8Quando Jeú estava executando o juízo sobre a casa de Acabe, encontrou os príncipes de Judá e os filhos dos irmãos de Acazias, que serviam a Acazias, e os matou.
9Daarna liet hij Achazjáhoe zoeken. Men nam hem gevangen in Samaria, waar hij zich verborgen had, en bracht hem voor Jehoe, die hem ter dood liet brengen. Men begroef hem echter, omdat men er rekening mee hield, dat hij een zoon was van Josafat, die Jahweh van ganser harte had vereerd. Nu was er in het huis van Achazjáhoe niemand meer in staat, de regering te aanvaarden.
9Ele procurou Acazias, e o capturaram (pois ele estava se escondendo em Samaria), e o trouxeram a Jeú e o mataram; e o sepultaram, pois disseram: “Ele é filho de Josafá, que buscou o SENHOR de todo o seu coração.” A casa de Acazias não tinha poder para manter o reino.
10Toen Ataljáhoe, de moeder van Achazjahoe, zag, dat haar zoon gestorven was, roeide ze de hele koninklijke familie van het huis Juda uit.
10Ora, quando Atalia, mãe de Acazias, viu que seu filho estava morto, ela se levantou e destruiu toda a descendência real da casa de Judá.
11Maar Jehosjabat, een dochter des konings, nam Joasj, den zoon van Achazjáhoe, heimelijk weg uit de kring der prinsen, die ten dode waren opgeschreven, en bracht hem met zijn voedster naar een slaapkamer, waar hij voor Ataljáhoe verborgen gehouden werd door Jehosjabat, een dochter van koning Joram en de vrouw van den priester Jehojada; zij was namelijk een zuster van Achazjáhoe. Zo ontsnapte hij aan de dood.
11Mas Jeosabeate, a filha do rei, pegou Joás, filho de Acazias, e o resgatou furtivamente do meio dos filhos do rei que estavam sendo mortos, e o colocou com a sua ama no quarto de dormir. Assim Jeosabeate, filha do rei Jeorão, esposa do sacerdote Joiada (pois ela era irmã de Acazias), o escondeu de Atalia, de modo que ela não o matou.
12Zes jaar lang bleef hij bij haar in de tempel van God verborgen, terwijl Atalja het land regeerde.
12Ele esteve com eles escondido na casa de Deus por seis anos, enquanto Atalia reinava sobre a terra.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.