1 Johannes
Chapter 5

1 Johannes

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Wie gelooft, dat Jesus de Christus is, hij is uit God geboren; en wie den Verwekker bemint, bemint ook hem, die door Hem is verwekt;
1Todo aquele que crê que Jesus é o Cristo é nascido de Deus. Todo aquele que ama o Pai ama também aquele que é nascido dele.
2hieraan erkennen we, dat we de kinderen Gods beminnen. Wanneer we God liefhebben, dan onderhouden we ook zijn geboden;
2Nisto sabemos que amamos os filhos de Deus: quando amamos a Deus e guardamos os seus mandamentos.
3want dit is juist liefde tot God, dat we zijn geboden onderhouden. En zijn geboden zijn niet zwaar;
3Pois amar a Deus é isto: guardar os seus mandamentos. E os seus mandamentos não são pesados.
4want wat uit God is geboren, overwint de wereld. En dit is de overwinning, die zegepraalt over de wereld: ons geloof!
4Pois tudo o que é nascido de Deus vence o mundo. E esta é a vitória que venceu o mundo: a fé de vocês.
5Wie anders toch is overwinnaar der wereld, dan hij die gelooft, dat Jesus de Zoon is van God?
5Quem é aquele que vence o mundo, senão aquele que crê que Jesus é o Filho de Deus?
6Hij is het, die gekomen is door Water en Bloed: Jesus Christus; niet door Water alleen, maar door Water en Bloed. Ook de Geest legt getuigenis af; want de Geest is waarheid.
6Este é o que veio por água e sangue, Jesus Cristo; não apenas com a água, mas com a água e com o sangue. E é o Espírito quem dá testemunho, porque o Espírito é a verdade.
7Zodat er drie zijn, die getuigenis afleggen (in de hemel: de Vader, het Woord en de heilige Geest; en deze drie zijn één. En drie zijn er, die getuigenis afleggen op de aarde):
7Porque há três que dão testemunho:
8de Geest, het Water en het Bloed; en deze drie zijn eenstemmig.
8o Espírito, a água e o sangue; e os três concordam entre si.
9Wanneer we de getuigenis van mensen aanvaarden, de getuigenis van God heeft groter gezag; omdat het is een getuigenis van God, en omdat Hij getuigenis aflegt over zijn eigen Zoon.
9Se recebemos o testemunho dos homens, o testemunho de Deus é maior; pois este é o testemunho que Deus deu a respeito de seu Filho.
10Wie in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis Gods in zich. Wie God niet gelooft, maakt Hem tot een leugenaar; want dan gelooft hij niet in de getuigenis, die God heeft gegeven over zijn eigen Zoon.
10Aquele que crê no Filho de Deus tem em si mesmo o testemunho. Aquele que não crê em Deus o fez mentiroso, porque não creu no testemunho que Deus deu a respeito de seu Filho.
11En dit is de getuigenis: God heeft ons het eeuwig leven geschonken; en dat leven is in zijn Zoon.
11E o testemunho é este: que Deus nos deu a vida eterna, e esta vida está no seu Filho.
12Wie den Zoon heeft, heeft het leven; wie den Zoon van God niet heeft, heeft ook het leven niet.
12Aquele que tem o Filho tem a vida. Aquele que não tem o Filho de Deus não tem a vida.
13Dit alles heb ik u geschreven, opdat gij weten moogt, dat gij het eeuwig leven bezit, zo gij gelooft in de naam van den Zoon van God.
13Escrevi-lhes estas coisas, a vocês que creem no nome do Filho de Deus, para que saibam que têm a vida eterna, e para que continuem a crer no nome do Filho de Deus.
14En dit is het vertrouwen, dat wij op Hem stellen: Wanneer we iets vragen overeenkomstig zijn wil, dan luistert Hij naar ons.
14E esta é a confiança que temos diante dele: se pedirmos alguma coisa segundo a sua vontade, ele nos ouve.
15En wanneer we weten, dat Hij naar ons luistert, wat we ook vragen, dan weten we ook, dat we verkrijgen, wat we Hem hebben gevraagd.
15E, se sabemos que ele nos ouve em tudo o que pedimos, sabemos que já temos aquilo que lhe pedimos.
16Wanneer iemand zijn broeder een zonde ziet bedrijven, die niet ten dode is, dan moet hij bidden; en Hij zal het leven schenken aan hen, die niet ten dode hebben gezondigd. Er bestaat echter een zonde, die ten dode is; ik zeg niet, dat men voor die zonde moet bidden.
16Se alguém vir o seu irmão cometer um pecado que não leva à morte, deverá pedir, e Deus lhe dará vida em favor daqueles cujo pecado não leva à morte. Há pecado que leva à morte. Não digo que ele deva fazer um pedido a respeito desse.
17Zeker, iedere ongerechtigheid is zonde; maar niet een zonde ten dode.
17Toda injustiça é pecado, e há pecado que não leva à morte.
18We weten, dat wie uit God is geboren, niet zondigt; maar wie uit God is geboren, waakt over zichzelf, en de Boze heeft geen vat op hem.
18Sabemos que todo aquele que é nascido de Deus não peca; mas aquele que nasceu de Deus guarda a si mesmo, e o Maligno não lhe toca.
19We weten, dat we uit God zijn, maar dat de hele wereld in kwaad verkeert.
19Sabemos que somos de Deus, e que o mundo inteiro jaz no poder do Maligno.
20We weten ook, dat de Zoon van God is gekomen, en ons het inzicht heeft gegeven, om den Waarachtige te kennen. Wij zijn in den Waarachtige, en in zijn Zoon Jesus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.
20Sabemos que o Filho de Deus já veio e nos deu entendimento, para que conheçamos aquele que é verdadeiro; e nós estamos naquele que é verdadeiro, em seu Filho Jesus Cristo. Este é o verdadeiro Deus e a vida eterna.
21Kinderkens, wacht u voor de afgoden!
21Filhinhos, guardem-se dos ídolos.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.