Corinthios I 3
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et ego, fratres, non potui vobis loqui quasi spiritualibus, sed quasi carnalibus. Tamquam parvulis in Christo,
1Ook tot u, broeders, kon ik niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot kinderkens in Christus.
2lac vobis potum dedi, non escam: nondum enim poteratis: sed nec nunc quidem potestis: adhuc enim carnales estis.
2Melk heb ik u te drinken gegeven, geen vaste spijs; want gij kondt er nog niet tegen. En ook nu kunt gij het nog niet;
3Cum enim sit inter vos zelus, et contentio: nonne carnales estis, et secundum hominem ambulatis?
3want nog zijt gij vleselijk. Immers, wanneer er onder u naijver is en twist, zijt gij dan niet vleselijk, en wandelt gij niet volgens den mens?
4Cum enim quis dicat: Ego quidem sum Pauli; alius autem: Ego Apollo: nonne homines estis? Quid igitur est Apollo? quid vero Paulus?
4Want zolang de één zegt: “Ik ben van Paulus”, en de ander: “Ik ben van Apollo”, zijt gij dan niet louter mensen?
5ministri ejus, cui credidistis, ut unicuique sicut Dominus dedit.
5Wat toch is Apollo? Wat is Paulus? Dienaars, door wier toedoen gij het geloof hebt ontvangen; elk op de wijze als de Heer hem gegeven heeft.
6Ego plantavi, Apollo rigavit: sed Deus incrementum dedit.
6Ik heb geplant, Apollo heeft begoten, maar God heeft wasdom verleend.
7Itaque neque qui plantat est aliquid, neque qui rigat: sed qui incrementum dat, Deus.
7En daarom, noch hij die plant, noch hij die begiet, betekent iets, maar God die wasdom geeft.
8Qui autem plantat, et qui rigat, unum sunt. Unusquisque autem propriam mercedem accipiet, secundum suum laborem.
8Toch zijn ze één, hij die plant en hij die begiet; en elk zal zijn eigen loon ontvangen, overeenkomstig eigen arbeid.
9Dei enim sumus adjutores: Dei agricultura estis, Dei ædificatio estis.
9Wij zijn Gods medearbeiders; gij zijt Gods akker, Gods bouwwerk.
10Secundum gratiam Dei, quæ data est mihi, ut sapiens architectus fundamentum posui: alius autem superædificat. Unusquisque autem videat quomodo superædificet.
10Volgens Gods genade, mij geschonken, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt er op. Maar iedereen moet toezien, hoe hij daarop bouwt.
11Fundamentum enim aliud nemo potest ponere præter id quod positum est, quod est Christus Jesus.
11Want niemand mag een ander fundament plaatsen, dan wat gelegd is, en dat is Jesus Christus.
12Si quis autem superædificat super fundamentum hoc, aurum, argentum, lapides pretiosos, ligna, fœnum, stipulam,
12Onverschillig of men op dit fundament voortbouwt met goud of zilver, met edelstenen, hout, stro of riet;
13uniuscujusque opus manifestum erit: dies enim Domini declarabit, quia in igne revelabitur: et uniuscujusque opus quale sit, ignis probabit.
13eens zal ieders werk bekend worden gemaakt. Immers de Dag zal het aantonen; want in vuur openbaart hij zich, en het vuur zal uitwijzen, van wat gehalte het werk van een ieder is.
14Si cujus opus manserit quod superædificavit, mercedem accipiet.
14Houdt het werk, dat hij heeft opgebouwd, stand, dan zal hij loon ontvangen.
15Si cujus opus arserit, detrimentum patietur: ipse autem salvus erit, sic tamen quasi per ignem.
15Zo zijn werk verbrandt, dan zal hij schade lijden; hij zal wel behouden worden, maar zó, dat hij eerst door het vuur moet.
16Nescitis quia templum Dei estis, et Spiritus Dei habitat in vobis?
16Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat Gods Geest in u woont?
17Si quis autem templum Dei violaverit, disperdet illum Deus. Templum enim Dei sanctum est, quod estis vos.
17Zo iemand Gods tempel ten verderve brengt, dan zal God ook hem verderven. Want heilig is Gods tempel, en dat zijt gij.
18Nemo se seducat: si quis videtur inter vos sapiens esse in hoc sæculo, stultus fiat ut sit sapiens.
18Niemand bedriege zichzelf Zo iemand wijs onder u meent te zijn, hij moet dwaas naar deze wereld worden, om wijs te zijn.
19Sapientia enim hujus mundi, stultitia est apud Deum. Scriptum est enim: Comprehendam sapientes in astutia eorum.
19Immers de wijsheid dezer wereld is dwaasheid voor God. Want er staat geschreven: “Hij, die de wijzen in hun eigen arglistigheid vat.”
20Et iterum: Dominus novit cogitationes sapientium quoniam vanæ sunt.
20En eveneens: “De Heer weet, dat de gedachten der wijzen ijdel zijn.”
21Nemo itaque glorietur in hominibus.
21Niemand mag dus op mensen roemen. Want alles is het uwe:
22Omnia enim vestra sunt, sive Paulus, sive Apollo, sive Cephas, sive mundus, sive vita, sive mors, sive præsentia, sive futura: omnia enim vestra sunt:
22Paulus, Apollo, Kefas, wereld, leven, dood, heden, toekomst. Alles is het uwe;
23vos autem Christi: Christus autem Dei.
23maar gij behoort aan Christus, en Christus aan God.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.