Římanům
Chapter 14
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Římanům 14

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mdlého pak u víře přijímejte, ne k hádkám o nepotřebných otázkách.
1Gij moet den zwakke in het geloof tot u trekken; maar niet om over meningsverschillen te twisten.
2Nebo někdo věří, že může jísti všecko; jiný pak u víře mdlý jsa, jí zelinu.
2De een toch gelooft alles te mogen eten; de zwakke voedt zich met groenten.
3Ten, kdož jí, nepokládej sobě za nic toho, kdož nejí; a kdo nejí, toho nesuď, kdož jí. Nebo Bůh přijal jej.
3Wie eet, moet hem niet kleineren, die niet eet; en wie niet eet, moet geen oordeel vellen over hem, die wèl eet; God immers heeft hem als den zijne aangenomen.
4Ty kdo jsi, abys soudil cizího služebníka? Však Pánu svému stojí, anebo padá. Staneť pak; mocen jest zajisté Bůh utvrditi jej.
4Wie zijt ge dan wel, die een oordeel velt over andermans dienstknecht; of hij staat of valt, is de zaak van zijn eigen meester. Maar hij zal staande blijven; want de Heer heeft de macht, hem staande te houden.
5Nebo někdo rozsuzuje mezi dnem a dnem, a někdo soudí každý den jednostejný býti. Jeden každý v svém smyslu ujištěn buď.
5De een stelt de ene dag boven de andere; een ander stelt ze alle gelijk; laat iedereen zijn eigen volle overtuiging volgen.
6Kdož dnů šetří, Pánu šetří; a kdo nešetří, Pánu nešetří. A kdo jí, Pánu jí, nebo děkuje Bohu; a kdož nejí, Pánu nejí, a děkuje Bohu.
6Wie aan een bepaalde dag is gehecht, doet het ter ere van den Heer; en wie eet, eet ter ere van den Heer, daar hij dank brengt aan God; en wie niet eet, laat het ter ere van den Heer, en dankt daarbij God.
7Žádný zajisté z nás není sám sobě živ, a žádný sobě sám neumírá.
7Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf;
8Nebo buďto že jsme živi, Pánu živi jsme; buďto že mřeme, Pánu mřeme. A tak buď že jsme živi, buď že umíráme, Páně jsme.
8want zo we leven, dan leven we voor den Heer, zo we sterven, dan sterven we voor den Heer. Of we dus leven of sterven, den Heer behoren we toe.
9Na toť jest zajisté Kristus i umřel, i z mrtvých vstal, i ožil, aby nad živými i nad mrtvými panoval.
9Want juist daarom is Christus gestorven en ten leven opgestaan, om de Heer te zijn van doden en levenden.
10Ty pak proč odsuzuješ bratra svého? Anebo také ty proč za nic pokládáš bratra svého? Však všickni staneme před stolicí Kristovou.
10Maar wat oordeelt ge dan uw broeder, of wat kleineert ge uw broeder? Allen toch zullen we voor Gods rechterstoel moeten staan.
11Psáno jest zajisté: Živť jsem já, praví Pán, žeť přede mnou bude klekati každé koleno, a každý jazyk vyznávati bude Boha.
11Want er staat geschreven: “Zoowaar Ik leef, zegt de Heer: Voor Mij zal elke knie zich buigen, En alle tong zal God verheerlijken.”
12A takť jeden každý z nás sám za sebe počet vydávati bude Bohu.
12Ieder van ons zal dus voor zichzelf rekenschap hebben te geven aan God.
13Nesuďmež tedy více jedni druhých, ale toto raději rozsuzujte, jak byste nekladli úrazu nebo pohoršení bratru.
13Laat ons dus niet langer elkander beoordelen; doch maakt liever het besluit, den broeder geen aanstoot of ergernis te geven.
14Vím a v tom ujištěn jsem v Pánu Ježíši, žeť nic nečistého není samo z sebe; než tomu, kdož tak soudí, že by nečisté bylo, jemuť nečisté jest.
14Ik weet, en ben er zeker van in den Heer Jesus, dat op zichzelf niets onrein is; maar voor hem die meent, dat het onrein is, is het onrein.
15Ale bývá-liť rmoucen bratr tvůj pro pokrm, již nechodíš podle lásky. Hlediž, abys k zahynutí nepřivedl pokrmem svým toho, za kteréhož Kristus umřel.
15Maar wanneer ge uw broeder grieft door uw eten, dan beoefent ge de liefde niet meer. Stort door uw eten niemand in het verderf, voor wien Christus is gestorven.
16Nebudiž tedy v porouhání dáno dobré vaše.
16Wat uzelf goed toeschijnt, moet ge geen slechte naam doen krijgen.
17Království zajisté Boží není pokrm a nápoj, ale spravedlnost a pokoj a radost v Duchu svatém.
17Immers het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank, maar in gerechtigheid, vrede en vreugde in den heiligen Geest;
18Nebo kdož v tom slouží Kristu, milý jest Bohu a lidem příjemný.
18en wie zó Christus dient, is welgevallig aan God en geacht door de mensen.
19Protož následujme toho, což by sloužilo ku pokoji a k vzdělání vespolek.
19We moeten dus streven naar wat de vrede en de wederkerige stichting bevordert.
20Nekaziž pro pokrm díla Božího. Všecko zajisté čisté jest, ale zlé jest člověku, kterýž jí s pohoršením.
20Breekt het werk van God niet af om wat spijs. Zeker, alles is rein; maar het wordt slecht voor den mens, die door zijn eten aanstoot geeft.
21Dobré jest nejísti masa a nepíti vína, ani čehokoli toho, na čemž se uráží bratr tvůj, nebo horší, anebo zemdlívá.
21Het is lofwaardig, geen vlees te eten en geen wijn of iets anders te drinken, wanneer uw broeder zich daaraan ergert.
22Ty víru máš? Mějž ji sám u sebe před Bohem. Blahoslavený, kdož nesoudí sebe samého v tom, což oblibuje.
22Houd uw overtuiging voor uzelf, en voor God. -Gelukkig hij, die zich niets te verwijten heeft bij wat hij zich veroorlooft.
23Ale kdož pak rozpakuje se, kdyby jedl, odsouzen jest, nebo ne z víry jí. A cožkoli není z víry, hřích jest.
23Maar wie nog in twijfel verkeert terwijl hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet handelt overeenkomstig zijn geloof; alles toch is zonde, wat niet in overeenstemming is met het geloof.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.