Římanům
Chapter 6
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Římanům 6

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Což tedy díme? Snad zůstaneme v hříchu, aby se milost rozhojnila?
1Wat besluiten we hieruit? Moeten we in de zonde blijven, opdat de genade tot overvloed komt?
2Nikoli. Kteříž jsme zemřeli hříchu, kterakž ještě živi budeme v něm?
2Dat nooit! Hoe toch zouden we in zonde voort blijven leven, nu we allen aan haar zijn afgestorven?
3Zdaliž nevíte, že kteřížkoli pokřtěni jsme v Krista Ježíše, v smrt jeho pokřtěni jsme?
3Of weet gij niet, dat wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jesus, dat we gedoopt zijn tot de gemeenschap met zijn Dood?
4Pohřbeni jsme tedy s ním skrze křest v smrt, abychom, jakož z mrtvých vstal Kristus k slávě Otce, tak i my v novotě života chodili.
4In die gemeenschap met zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van den Vader uit de doden is opgewekt.
5Nebo poněvadž jsme v něj vštípeni připodobněním smrti jeho, tedy i vzkříšením jemu připodobněni budeme,
5Want wanneer wij met Hem zijn saamgegroeid door het beeld van zijn Dood, dan zullen we het ook wezen door dat van zijn Verrijzenis.
6To vědouce, že starý člověk náš s ním spolu ukřižován jest, aby bylo umrtveno tělo hřícha, abychom již potom nesloužili hříchu.
6Dit weten we: onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn;
7Nebo kdožť umřel, ospravedlněn jest od hříchu.
7want wie dood is, is vrij gemaakt van de zonde.
8Jestližeť jsme pak zemřeli s Kristem, věřímeť, že spolu s ním také živi budeme,
8Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven.
9Vědouce, že Kristus vstav z mrtvých, již více neumírá, smrt nad ním již více nepanuje.
9We weten, dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft;
10Nebo že jest umřel, hříchu umřel jednou; že pak jest živ, živ jest Bohu.
10want zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar zijn leven is een leven voor God.
11Tak i vy za to mějte, že jste zemřeli zajisté hříchu, ale živi jste Bohu v Kristu Ježíši, Pánu našem.
11Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jesus.
12Nepanujž tedy hřích v smrtelném těle vašem, tak abyste povolovali jemu v žádostech jeho.
12Laat dus de zonde in uw sterfelijk lichaam niet heersen, zodat gij zijn lusten opvolgt;
13Aniž vydávejte údů svých za odění nepravosti kterémukoli hříchu, ale vydávejte se k sloužení Bohu, jakožto vstavše z mrtvých a jsouce živi, a údy své vydávejte za odění spravedlnosti Bohu.
13en stelt uw ledematen niet in dienst van de zonde als werktuigen van ongerechtigheid. Maar stelt uzelf in de dienst van God als herleefd uit de dood; en uw ledematen in de dienst van God als werktuigen van gerechtigheid.
14Nebo hřích nebude panovati nad vámi; nejste zajisté pod Zákonem, ale pod milostí.
14Neen, de zonde moet niet over u heersen; want gij zijt niet meer onder de Wet, maar onder de genade.
15Což tedy? Hřešiti budeme, když nejsme pod Zákonem, ale pod milostí? Nikoli.
15Hoe nu? Zouden we zonden bedrijven, omdat we niet staan onder de Wet, maar onder de genade? Dat nooit!
16Zdaliž nevíte, že komuž se vydáváte za služebníky ku poslušenství, toho jste služebníci, kohož posloucháte, buďto hříchu k smrti, buďto poslušenství k spravedlnosti?
16Weet gij niet, dat gij als slaven aan hèm gehoorzaam moet zijn, onder wiens gehoorzaamheid gij u als slaven gesteld hebt; of wel van de zonde ten dode, of van de gehoorzaamheid ter gerechtigheid?
17Ale díka Bohu, že byvše služebníci hřícha, uposlechli jste z srdce způsobu učení toho, v kteréž uvedeni jste.
17Welnu, God zij dank: gij zijt wel slaven der zonde geweest, maar van harte hebt gij u onderworpen aan die bepaalde vorm van lering, waartoe gij geroepen zijt;
18Vysvobozeni jsouce pak od hříchu, učiněni jste služebníci spravedlnosti.
18en vrijgemaakt van de zonde, zijt gij dienaars der gerechtigheid geworden. Ik druk me heel menselijk uit, om de zwakheid van uw vlees.
19Po lidsku pravím, pro mdlobu těla vašeho: Jakž jste vydávali údy vaše v službu nečistotě a nepravosti k tomu, abyste činili nepravost, tak již nyní vydávejte údy vaše v službu spravedlnosti ku posvěcení.
19Waarachtig, zoals gij uw ledematen, als slaven der onreinheid en tuchteloosheid, in dienst van de tuchteloosheid gesteld hebt, zo moet gij thans uw ledematen, als slaven der gerechtigheid, in dienst van de heiligheid stellen.
20Nebo když jste byli služebníci hřícha, cizí jste byli od spravedlnosti.
20Toen gij slaven waart van de zonde, stondt gij vrij tegenover de gerechtigheid.
21Jaký jste pak užitek měli tehdáž toho, začež se nyní stydíte? Konec zajisté těch věcí jest smrt.
21Wat voor vrucht hebt gij toen wel geplukt? Thans schaamt gij u er over; want het einde ervan is de dood.
22Nyní pak vysvobozeni jsouce od hříchu a podmaněni v službu Bohu, máte užitek váš ku posvěcení, cíl pak život věčný.
22Maar nu gij vrij van de zonde en dienaars van God zijt geworden, plukt thans als vrucht: de heiliging; het einde ervan is het eeuwige leven.
23Nebo odplata za hřích jest smrt, ale milost Boží jest život věčný v Kristu Ježíši, Pánu našem.
23Want het loon der zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jesus onzen Heer.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.