1 Tesalonickým
Chapter 4

1 Tesalonickým

Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Tesalonickým 4

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dále pak, bratří, prosíme vás, a napomínáme v Pánu Ježíši, jakož jste přijali od nás, kterak byste měli choditi a líbiti se Bohu, v tom abyste se rozhojnili více.
1Overigens broeders, bidden en smeken we u in den Heer Jesus, dat gij nog meer moogt uitmunten in uw levenswandel en in het behagen aan God, zoals gij dat van ons hebt geleerd, en zoals gij dat feitelijk reeds betracht.
2Víte zajisté, jaká přikázání vydali jsme vám skrze Pána Ježíše.
2Gij weet toch wel, welke voorschriften we u uit naam van den Heer Jesus hebben gegeven.
3Tať jest zajisté vůle Boží, totiž posvěcení vaše, abyste se zdržovali od smilstva,
3Want dit is Gods wil, uw heiliging: dat gij u namelijk van ontucht onthoudt;
4A aby uměl jeden každý z vás svým osudím vládnouti v svatosti a v uctivosti,
4dat ieder van u zijn eigen vrouw weet te verwerven in heiligheid en eerbaarheid,
5Ne v libosti tělesných žádostí jako i pohané, kteříž Boha neznají;
5niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals de heidenen, die God niet kennen;
6A aby žádný neutiskal ani oklamával v jakémkoli jednání bratra svého, protože mstitel jest Pán všeho toho, jakož i předpověděli jsme vám a osvědčili.
6dat niemand zich te buiten gaat, en in deze aangelegenheid zijn broeder bedriegt. Want de Heer is de Wreker van al deze dingen, zoals we het vroeger hebben gezegd en voortdurend betuigd.
7Nebo nepovolal nás Bůh k nečistotě, ale ku posvěcení.
7Want God heeft ons niet tot onreinheid geroepen, maar tot heiligheid.
8A protož kdo by pohrdal tímto, ne člověkem pohrdá, ale Bohem, kterýž i dal Ducha svého svatého nám.
8Wie dit dus veracht, veracht niet een mens, maar God zelf, die ook aan u zijn heiligen Geest heeft geschonken.
9O lásce pak bratrské neníť potřebí psáti vám; nebo jste vy již tomu od Boha naučeni, abyste milovali jedni druhé.
9Over de broederliefde is het niet nodig, u te schrijven. Want zelf hebt gij van God geleerd, elkander lief te hebben; en gij doet het ook tegenover alle broeders in heel Macedonië.
10A jistě činíte to ke všechněm bratřím ve vší Macedonii. Napomínámeť pak vás, bratří, abyste se v tom ještě více rozhojnili,
10Maar we vermanen u, broeders, om nog meer uit te munten,
11A snažili se pokojni býti a hleděti toho, což komu náleží, a pracovati rukama svýma vlastníma, jakož jsme přikázali vám,
11en er zelfs een eer in te stellen, om rustig te leven, u met uw eigen zaken te bemoeien, en zelf de handen aan het werk te slaan, zoals we u dat geboden hebben.
12Tak abyste slušně chodili před těmi, kteříž jsou vně, a v ničemž abyste neměli nedostatku.
12Zo toch gedraagt gij u behoorlijk voor hen, die buiten staan, en hebt gij van niemand iets nodig.
13Nechciť pak, abyste nevěděli, bratří, o těch, kteříž zesnuli, abyste se nermoutili, jako i jiní, kteříž naděje nemají.
13Broeders, wij willen u niet in onwetendheid laten over hen die ontslapen zijn, opdat gij niet treurt als de anderen, die geen hoop meer bezitten.
14Nebo jakož věříme, že Ježíš umřel a z mrtvých vstal, takť Bůh i ty, kteříž by zesnuli v Ježíšovi, přivede s ním.
14Want zo wij geloven, dat Jesus gestorven is en verrezen, dan geloven wij ook, dat God hen, die in Jesus ontsliepen, zal terugvoeren met Hem.
15Toto zajisté vám pravíme slovem Páně, že my, kteříž živi pozůstaneme do příchodu Páně, nepředejdeme těch, kteříž zesnuli.
15Want dit zeggen wij u op ‘s Heren woord: Wij die leven en achter blijven tot ‘s Heren komst, wij zullen de ontslapenen zeer zeker niet vóór gaan.
16Nebo Pán náš s zvukem ponoukajícím, s hlasem archanděla a s troubou Boží sstoupí s nebe, a mrtví, kteříž jsou v Kristu, vstanou nejprve.
16Want op een teken, op het geroep van den Aartsengel en de bazuinstoot van God, zal de Heer zelf uit de hemel nederdalen, en allereerst zullen zij verrijzen, die stierven in Christus;
17Potom my živí pozůstavení spolu s nimi zachváceni budeme do oblaků, vstříc Pánu v povětří, a tak vždycky se Pánem budeme.
17eerst dan zullen wij, die leven en achterblijven, tezamen met hen worden weggevoerd op de wolken, den Heer tegemoet in de lucht. En zó zullen wij altijd bij den Heer blijven.
18A protož potěšujtež jedni druhých těmito slovy.
18Vertroost dus elkander met deze woorden.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.