João 14
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1“Que o coração de vocês não fique perturbado. Creiam em Deus. Creiam também em mim.
1Uw hart worde niet ontsteld. Gij gelooft in God; gelooft ook in Mij.
2Na casa de meu Pai há muitas moradas. Se não fosse assim, eu teria dito a vocês. Vou preparar um lugar para vocês.
2In het huis van mijn Vader zijn vele woningen. Wanneer dit zo niet was, dan zou Ik het u hebben gezegd; want Ik ga er juist heen, om u een plaats te bereiden.
3E se eu for e preparar um lugar para vocês, virei outra vez e os receberei comigo; para que onde eu estou, vocês também estejam.
3En wanneer Ik zal zijn heengegaan en u een plaats zal hebben bereid, dan kom Ik terug, en zal u tot Mij nemen; opdat ook gij moogt zijn, waar Ikzelf ben.
4Vocês sabem para onde eu vou, e conhecem o caminho.”
4Gij kent de weg naar de plaats, waar Ik heenga. —
5Tomé lhe disse: “Senhor, não sabemos para onde vais. Como podemos saber o caminho?”
5Tomas zei Hem: Heer, we weten niet eens, waar Gij heengaat; hoe zouden we dan de weg kennen?
6Jesus lhe disse: “Eu sou o caminho, a verdade e a vida. Ninguém vem ao Pai, a não ser por mim.
6Jesus sprak tot hem: Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader, dan door Mij.
7Se vocês me conhecessem, também conheceriam a meu Pai. De agora em diante, vocês o conhecem e já o viram.”
7Daar gij nu Mij hebt gekend, zult gij ook den Vader kennen; van dit ogenblik af kent gij Hem, en hebt gij Hem gezien. —
8Filipe lhe disse: “Senhor, mostra-nos o Pai, e isso nos basta.”
8Filippus zei Hem: Heer, laat ons den Vader zien; dan zijn we tevreden.
9Jesus lhe disse: “Estou com vocês há tanto tempo, e você não me conhece, Filipe? Quem me vê, vê o Pai. Como você diz: ‘Mostra-nos o Pai’?
9Jesus sprak tot hem: Zo lange tijd ben Ik bij u, en kent ge Mij nog niet, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft den Vader gezien; hoe zegt ge dan: Laat ons den Vader zien?
10Você não crê que eu estou no Pai, e o Pai em mim? As palavras que eu digo a vocês, não as falo por mim mesmo; mas o Pai, que vive em mim, faz as suas obras.
10Gelooft gij dan niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij? De woorden, die Ik u toespreek, zeg Ik niet uit Mijzelf; het is de Vader, die in Mij blijft, die zelf de werken verricht.
11Creiam em mim quando digo que estou no Pai, e o Pai em mim; ou então creiam-me por causa das próprias obras.
11Gelooft het van Mij: Ik ben in den Vader, en de Vader is in Mij.
12Em verdade, em verdade lhes digo: aquele que crê em mim, também fará as obras que eu faço; e fará obras maiores do que estas, porque eu vou para o meu Pai.
12Zo niet; gelooft het dan op grond van de werken. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen, die Ik zelf verricht; en zelfs grotere zal hij doen. Want Ik ga naar den Vader;
13E tudo o que vocês pedirem em meu nome, eu o farei, para que o Pai seja glorificado no Filho.
13en alles zal Ik doen, wat gij Hem zult vragen in mijn naam, opdat de Vader verheerlijkt wordt in den Zoon.
14Se vocês pedirem qualquer coisa em meu nome, eu o farei.
14Wanneer gij ook Mij in mijn naam iets zult vragen, dan zal Ik het doen. —
15Se vocês me amam, guardem os meus mandamentos.
15Zo gij Mij liefhebt, onderhoudt dan mijn geboden.
16Eu rogarei ao Pai, e ele lhes dará outro Consolador, para que esteja com vocês para sempre:
16Dan zal Ik den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Helper geven, om bij u te blijven voor eeuwig.
17o Espírito da verdade, que o mundo não pode receber, porque não o vê nem o conhece. Vocês o conhecem, porque ele vive com vocês e estará em vocês.
17Het is de Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, omdat ze Hem ziet noch kent; gij echter kent Hem; want Hij blijft bij u, en is in u. —
18Não os deixarei órfãos. Voltarei para vocês.
18Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom tot u terug.
19Mais um pouco, e o mundo não me verá mais; mas vocês me verão. Porque eu vivo, vocês também viverão.
19Nog korte tijd en de wereld aanschouwt Mij niet meer; gij echter aanschouwt Mij. Want Ik leef, en ook gij zult leven.
20Naquele dia vocês saberão que eu estou em meu Pai, e vocês em mim, e eu em vocês.
20Op die dag zult gij erkennen, dat Ik in mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. —
21Aquele que tem os meus mandamentos e os guarda, esse é o que me ama. Aquele que me ama será amado por meu Pai, e eu o amarei, e me revelarei a ele.”
21Wie mijn geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft; maar wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden bemind, en ook Ikzelf zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren.
22Judas (não o Iscariotes) lhe disse: “Senhor, por que você vai se revelar a nós e não ao mundo?”
22Judas, maar niet de Iskáriot, sprak tot Hem: Heer, hoe komt het, dat Gij U wel aan ons wilt openbaren, maar niet aan de wereld?
23Jesus lhe respondeu: “Se alguém me ama, guardará a minha palavra. Meu Pai o amará, e nós viremos para ele e faremos nele a nossa morada.
23Jesus antwoordde hem: Zo iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; dan zal mijn Vader ook hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen, en ons verblijf bij hem nemen.
24Quem não me ama não guarda as minhas palavras. A palavra que vocês ouvem não é minha, mas do Pai que me enviou.
24Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt mijn woorden niet; welnu het woord, dat gij hoort, is niet het mijne, maar dat van den Vader, die Mij heeft gezonden.
25“Tenho dito estas coisas a vocês enquanto ainda estou com vocês.
25Dit alles heb Ik u gezegd, terwijl Ik nog bij u was.
26Mas o Consolador, o Espírito Santo, a quem o Pai enviará em meu nome, lhes ensinará todas as coisas e fará vocês se lembrarem de tudo o que eu disse.
26Maar de Helper, de Heilige Geest, dien de Vader zal zenden in mijn naam, Hij zal u alles leren en alles u in herinnering brengen, wat Ik u heb gezegd.
27Deixo-lhes a paz. A minha paz lhes dou; não a dou como o mundo a dá. Que o coração de vocês não fique perturbado nem tenha medo.
27Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart zij ontsteld, noch bevreesd. —
28Vocês ouviram o que eu lhes disse: ‘Vou embora, e voltarei para vocês.’ Se vocês me amassem, se alegrariam porque eu disse: ‘Vou para o meu Pai’; pois o Pai é maior do que eu.
28Gij hebt gehoord, dat Ik u zeide: Ik ga heen, maar Ik kom tot u terug. Zo gij Mij liefhadt, zoudt gij u verheugen, dat Ik naar den Vader ga; want de Vader is groter dan Ik. —
29Agora eu lhes disse isso antes que aconteça, para que, quando acontecer, vocês creiam.
29En nu, eer het geschied is, heb Ik het u gezegd; opdat gij moogt geloven, wanneer het geschiedt.
30Já não falarei muito com vocês, pois o príncipe do mundo vem, e ele não tem nada em mim.
30Ik zal niet veel meer met u spreken; want de vorst van de wereld is op komst. Zeker, hij vermag niets tegen Mij;
31Mas para que o mundo saiba que eu amo o Pai, e que faço assim como o Pai me ordenou. Levantem-se, vamos sair daqui.
31maar de wereld moet weten, dat Ik den Vader bemin, en dat Ik volbreng, wat de Vader Mij bevolen heeft. Staat op; laten we heengaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.