Markuj
Chapter 15
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1MADAN jankonai jamero lapalap akan, ianaki jaumaj akan, o jaunkawewe kan, o pil jaunkapun karoj kapunada ap jaliedi Iejuj, ap wawei panalan Pilatuj.
1Heel in de vroegte namen de opperpriesters met de oudsten, schriftgeleerden en heel de Hoge Raad een beslissing. Ze lieten Jesus binden, voerden Hem weg, en leverden Hem over aan Pilatus.
2Pilatuj ap idok re a: Komui Nanmarki en Juj akan? A kotin japen majani on i: Komui me majani.
2Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? Hij gaf hem ten antwoord: Ge zegt het.
3Jamero lapalap akan karauneki i me toto.
3Nu brachten de opperpriesters vele beschuldigingen tegen Hem in.
4Pilatuj ap pil idok re a majani: Komui jota japen? Kom majani, me re kinakine on komui me toto.
4Pilatus vroeg Hem opnieuw: Antwoordt Gij niets? Zie, wat zware beschuldiging ze tegen U inbrengen.
5Iejuj pil jota kotin japen Pilatuj ap ponepone kida.
5Jesus gaf geen antwoord meer, zodat het Pilatus verbaasde.
6Ari, ni kamadip o a kin lapwa on ir me jenjal amen, me re mauki.
6Maar op de feestdagen liet hij hun, naar eigen keuze, een der gevangenen vrij.
7Ol amen, ad a Parapaj, me ian janjal ren me ian i kamela aramaj ni ar kauadar moron eu.
7Nu zat er een zekere Barabbas gevangen tegelijk met andere oproermakers, die bij het oproer een moord hadden begaan.
8Pokon ap moronada, nidi nideki, en wiai on irail, me a kin wiai on irail maj.
8Toen het volk dan kwam opdagen, en aan Pilatus begon te vragen, wat hij hun gewoonlijk toestond.
9Pilatuj ap japen irail majani: Komail men, i en lapwadaa komail Nanmarki en Juj akan?
9antwoordde hij hun: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden vrijlaat?
10Pwe a aja, me jamero lapalap akan wakido i ar peirin.
10Want hij begreep, dat de opperpriesters Hem uit afgunst hadden overgeleverd.
11A jamero lapalap akan kapururada pokon o, pwe en mauki lapwa on irail Parapaj.
11Maar de opperpriesters hitsten de menigte op: hij moest hun maar liever Barabbas vrijlaten.
12Pilatuj ap japen pil majani on irail: Da me komail mauki i en wiai on me komail kaadaneki Nanmarki en Juj akan?
12Pilatus hernam, en sprak tot hen: Wat moet ik dan met Hem doen, dien gij Koning der Joden noemt?
13Irail ap wer laudeda: Kalopuela i!
13En ze schreeuwden opnieuw: Kruisig Hem!
14Pilatuj ap majani on irail: Pwe jued da, me a wiadar? Re ap kalaudela ar wer: Kalopuela i!
14Pilatus zei hun: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Maar ze schreeuwden nog harder: Kruisig Hem!
15Ari, Pilatuj men kainjenemaui aramaj oko, ap lapwa don irail Parapaj, ap kida lejuj murin a woki, pwen kalopuela.
15Toen liet Pilatus hun Barabbas vrij, om het volk terwille te zijn: maar Jesus liet hij geselen, en gaf Hem over, om te worden gekruisigd.
16Jaunpei ko ap kalualan i nan pera eu me ad a pretorium. Re ap eker pena ar pwin.
16Nu brachten de soldaten Hem naar binnen, in de voorhof van het rechthuis, en riepen de hele bende bijeen.
17Re ap kalikauwie kida i purpur o pidada al en tek, ap lanelanie kida.
17Ze hingen Hem het purper om, en vlochten een doornenkroon, en zetten die op zijn hoofd.
18Ap tapi on kepwene: Ion Nanmarki en Juj akan!
18Toen gingen ze Hem huldigen: Wees gegroet, Koning der Joden!
19Re ap wokieki tapwi alek, o kondipe i, ap kelepuki, poridi jan.
19Dan sloegen ze Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem, wierpen zich op de knieën, en brachten Hem hulde.
20A lao nek ar kapailok, re ap ki jan i purpur, ap kapur on udan japwilim a likau, kaluaieila, pwe ren kalopuela i.
20En nadat ze Hem hadden bespot, deden ze Hem het purper af, trokken Hem zijn klederen aan, en voerden Hem weg ter kruisiging.
21Re ap iton on Jimon, men Kirene amen, me jam en Alek jander o Rupuj, me dauli irail ni a kodo jan nan jap, pwen wada a lopu.
21Ze dwongen een voorbijganger, die juist van het veld kwam, zijn kruis te dragen; het was Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus.
22Re ap walan i Kolkata. let wewe: Waja en pontal en mon.
22Ze voerden Hem naar een plaats, die Gólgota of schedelplaats heet.
23Re ap ki on i, en kakere wain dol mir. Ari, a jota kotin urak.
23Nu gaven ze Hem wijn te drinken met mirre vermengd; maar Hij nam er niet van.
24Ni arail kalopuedar i, re ap ter pajan japwilim a likau ko. Re ap kadoropwe, da me amen amen pan aneki.
24Na Hem gekruisigd te hebben, verdeelden ze zijn klederen, en wierpen het lot over hun aandeel.
25Ari, ni auer kajilu, me re kalopuela i.
25Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden.
26O intin en poa me a pukoki due met: Nanmarki en Juj akan.
26Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De Koning der Joden!
27Lolap en pirap riamen ian i kalopuela; amen pali maun i, amen pali main i.
27Met Hem kruisigden ze twee rovers, één aan zijn rechterhand, en één aan zijn linker.
28Iei me kijin likau pun kila, me inda: A wadawad on ren me dipan.
28Toen werd de Schrift vervuld, die zegt: “En onder de booswichten werd Hij gerekend.”
29Ir me kin dauli, kin lalaue, duedualok inda: Ei, koe me pan kawela im en kaudok, ap id kaua kida ran jilu.
29En zij die voorbijgingen, lasterden Hem, schudden het hoofd, en zeiden: Ba! Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
30Pein dore uk ala, o kodido jan nin lopu en!
30red Uzelf, kom af van het kruis!
31Jamero lapalap akan pil dueta, kapailoke, inda nan pun ar ian jaunkawewe kan: A dorelar akai, a pein i a jota kak on.
31Zo spotten ook de opperpriesters en schriftgeleerden onder elkander, en zeiden: Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden;
32Krijtuj Nanmarki en Ijrael, kodido jan nin lopu en, pwe je en kilan o pojon. O ira, me ian i lopu la ko, pil lalaue.
32de Christus, Israëls Koning, kome nu eens af van het kruis, opdat we het zien en geloven! Zelfs zij beschimpten Hem, die met Hem waren gekruisigd.
33Ari, auer kawonu lel, rotorot ap kipadi jap lao lel auer kaduau.
33Tegen het zesde uur tot het negende toe, viel er duisternis neer over het hele land.
34Ni auer kaduau lejuj ap kotin weriwer laudeda majani: Eloi, Eloi, lama japaktani! let wewe: Ai Kot, ai Kot! Da me re kotin kajekin ia la!
34Omstreeks het negende uur riep Jesus met luider stem: Eloi Eloi, lamma sabaktáni; dat is: “Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij Mij!”
35Akai me u impa, ni arail ron inda: Kilan, a ekeker Eliaj.
35Sommigen, die daar stonden, hoorden het en zeiden: Zie, Hij roept Elias.
36Amen ap tanala, ale lim en pinika eu, ki on ni alek apot, ap kida on en kakere, ap inda: Udi maj! Kitail kilan, ma Eliaj pan kodo en kidi jan.
36Eén hunner liep heen, vulde een spons met azijn, stak ze op een riet, gaf Hem te drinken, en zeide: Wacht, laat ons eens zien, of Elias Hem er soms af komt halen.
37lejuj ap kotin weriwer laudeda kadarala Nen e.
37Toen riep Jesus met luider stem, en gaf de geest.
38Pera likau nan im en kaudok ap dei pajan, janeda pali poa lei pa.
38En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot onder.
39O ni en jenturion o, me u jaledon, a kilan a wer laudeda due mo, ap kadarala Nen e, a ap inda: Nan melel Japwilim en Kot aramaj men et.
39Toen nu de hoofdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij onder zulke omstandigheden gestorven was, sprak hij: Waarachtig, deze man was Gods Zoon.
40Li akai pil mimi waja doo, kilekilanedo; Maria men Magdala, me mi nan pun ar, o pil Maria, in en Iakopuj, me tik, o en Iojej, o Jalome.
40Ook enige vrouwen stonden van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus den Jongeren en van Josef en Salome;
41Me pil kin idauen papa i maj o, ni a kotikot Kalilaa; o pil me toto, me ian i kotida don Ierujalem.
41ze waren Hem gevolgd, toen Hij in Galilea was, om Hem te dienen; ook vele anderen waren er bij, die met Hem naar Jerusalem waren opgegaan.
42Ari, ni a jautik penaer, pweki kaonop iei ran mon japat.
42Daar het een dag van voorbereiding was, daags voor de sabbat, en het reeds tegen de avond liep,
43lojep, men Arimatia amen, ap kodo, me jaunkapun ijou amen, me kin pil auiaui wein Kot, me jo majak koti don Pilatuj, poeki kalep en Iejuj.
43kwam Josef van Arimatea, een voornaam raadsheer, die ook zelf het koninkrijk Gods verwachtte, en ging vrijmoedig naar Pilatus, om hem het lichaam van Jesus te vragen.
44Pilatuj ap puriamuiki, me a matalar, ap molipe don i jenturion o, ap kainoma re a, ma a matalar warai.
44Pilatus verwonderde zich, dat Hij reeds gestorven was; hij ontbood den hoofdman, en vroeg hem, of Hij al lang was gestorven.
45A lao mani jan ren jenturion o, a ap ki on kalep a ren lojep.
45En toen hij dit van den hoofdman vernomen had, stond hij het lichaam aan Josef af.
46A ap netiada likau linen mau, ap lapwadi i, kidimeki pena likau o, nekidedi i nan joujou eu, me weiweida nan paip, ap kadapuri on takai eu ni au en joujou o.
46Nu kocht deze een lijnwaad, nam Hem af van het kruis, en wikkelde Hem in het lijnwaad. En hij legde Hem in een graf, dat in een rots was uitgehouwen, en rolde een steen voor de ingang van het graf.
47O Maria men Magdala o Maria in en Iojej kilan waja, re nekidedi i.
47Maria Magdalena en Maria van Josef zagen toe, waar Hij werd neergelegd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.