Evangelo Di S. Marco 15
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1E SUBITO la mattina, i principali sacerdoti, con gli anziani, e gli Scribi, e tutto il concistoro, tenuto consiglio, legarono Gesù, e lo menarono, e lo misero in man di Pilato.
1Heel in de vroegte namen de opperpriesters met de oudsten, schriftgeleerden en heel de Hoge Raad een beslissing. Ze lieten Jesus binden, voerden Hem weg, en leverden Hem over aan Pilatus.
2E Pilato gli domandò: Sei tu il Re de' Giudei? Ed egli, rispondendo, gli disse: Tu lo dici.
2Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? Hij gaf hem ten antwoord: Ge zegt het.
3E i principali sacerdoti l'accusavano di molte cose; ma egli non rispondeva nulla.
3Nu brachten de opperpriesters vele beschuldigingen tegen Hem in.
4E Pilato da capo lo domandò, dicendo: Non rispondi tu nulla? vedi quante cose costoro testimoniano contro a te.
4Pilatus vroeg Hem opnieuw: Antwoordt Gij niets? Zie, wat zware beschuldiging ze tegen U inbrengen.
5Ma Gesù non rispose nulla di più, talchè Pilato se ne maravigliava.
5Jesus gaf geen antwoord meer, zodat het Pilatus verbaasde.
6Or ogni festa egli liberava loro un prigione, qualunque chiedessero.
6Maar op de feestdagen liet hij hun, naar eigen keuze, een der gevangenen vrij.
7Or vi era colui, ch'era chiamato Barabba, ch'era prigione co' suoi compagni di sedizione, i quali avean fatto omicidio nella sedizione.
7Nu zat er een zekere Barabbas gevangen tegelijk met andere oproermakers, die bij het oproer een moord hadden begaan.
8E la moltitudine, gridando, cominciò a domandare che facesse come sempre avea lor fatto.
8Toen het volk dan kwam opdagen, en aan Pilatus begon te vragen, wat hij hun gewoonlijk toestond.
9E Pilato rispose loro, dicendo: Volete che io vi liberi il Re de' Giudei?
9antwoordde hij hun: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden vrijlaat?
10(Perciocchè riconosceva bene che i principali sacerdoti glielo aveano messo nelle mani per invidia).
10Want hij begreep, dat de opperpriesters Hem uit afgunst hadden overgeleverd.
11Ma i principali sacerdoti incitarono la moltitudine a chieder che più tosto liberasse loro Barabba.
11Maar de opperpriesters hitsten de menigte op: hij moest hun maar liever Barabbas vrijlaten.
12E Pilato, rispondendo, da capo disse loro: Che volete adunque che io faccia di colui che voi chiamate Re de' Giudei?
12Pilatus hernam, en sprak tot hen: Wat moet ik dan met Hem doen, dien gij Koning der Joden noemt?
13Ed essi di nuovo gridarono: Crocifiggilo.
13En ze schreeuwden opnieuw: Kruisig Hem!
14E Pilato disse loro: Ma pure, che male ha egli fatto? Ed essi vie più gridavano: Crocifiggilo.
14Pilatus zei hun: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Maar ze schreeuwden nog harder: Kruisig Hem!
15Pilato adunque, volendo soddisfare alla moltitudine, liberò loro Barabba. E dopo aver flagellato Gesù, lo diede loro in mano, per esser crocifisso.
15Toen liet Pilatus hun Barabbas vrij, om het volk terwille te zijn: maar Jesus liet hij geselen, en gaf Hem over, om te worden gekruisigd.
16Allora i soldati lo menarono dentro alla corte, che è il Pretorio, e raunarono tutta la schiera.
16Nu brachten de soldaten Hem naar binnen, in de voorhof van het rechthuis, en riepen de hele bende bijeen.
17E lo vestirono di porpora; e contesta una corona di spine, gliela misero intorno al capo .
17Ze hingen Hem het purper om, en vlochten een doornenkroon, en zetten die op zijn hoofd.
18Poi presero a salutarlo, e a dire: Ben ti sia, Re de' Giudei.
18Toen gingen ze Hem huldigen: Wees gegroet, Koning der Joden!
19E gli percotevano il capo con una canna, e gli sputavano addosso; e postisi inginocchioni, l'adoravano.
19Dan sloegen ze Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem, wierpen zich op de knieën, en brachten Hem hulde.
20E dopo che l'ebbero schernito, lo spogliarono della porpora, e lo rivestirono de' suoi propri vestimenti, e lo menarono fuori, per crocifiggerlo.
20En nadat ze Hem hadden bespot, deden ze Hem het purper af, trokken Hem zijn klederen aan, en voerden Hem weg ter kruisiging.
21ED angariarono a portar la croce di esso, un certo passante, detto Simon Cireneo, padre di Alessandro e di Rufo, il qual tornava da' campi.
21Ze dwongen een voorbijganger, die juist van het veld kwam, zijn kruis te dragen; het was Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus.
22E menarono Gesù al luogo detto Golgota; il che, interpretato, vuol dire: Il luogo del teschio.
22Ze voerden Hem naar een plaats, die Gólgota of schedelplaats heet.
23E gli dieder da bere del vino condito con mirra; ma egli non lo prese.
23Nu gaven ze Hem wijn te drinken met mirre vermengd; maar Hij nam er niet van.
24E dopo averlo crocifisso, spartirono i suoi vestimenti, tirando la sorte sopra essi, per saper ciò che ne torrebbe ciascuno.
24Na Hem gekruisigd te hebben, verdeelden ze zijn klederen, en wierpen het lot over hun aandeel.
25Or era l'ora di terza, quando lo crocifissero.
25Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden.
26E la soprascritta del maleficio che gli era apposto era scritta di sopra a lui, in questa maniera: IL RE DE' GIUDEI.
26Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De Koning der Joden!
27Crocifissero ancora con lui due ladroni, l'un dalla sua destra, e l'altro dalla sinistra.
27Met Hem kruisigden ze twee rovers, één aan zijn rechterhand, en één aan zijn linker.
28E si adempiè la scrittura che dice: Ed egli è stato annoverato fra i malfattori.
28Toen werd de Schrift vervuld, die zegt: “En onder de booswichten werd Hij gerekend.”
29E coloro che passavano ivi presso l'ingiuriavano, scotendo il capo, e dicendo: Eia! tu che disfai il tempio, ed in tre giorni lo riedifichi,
29En zij die voorbijgingen, lasterden Hem, schudden het hoofd, en zeiden: Ba! Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
30salva te stesso, e scendi giù di croce.
30red Uzelf, kom af van het kruis!
31Simigliantemente ancora i principali sacerdoti, con gli Scribi, beffandosi, dicevano l'uno all'altro: Egli ha salvati gli altri, e non può salvar sè stesso.
31Zo spotten ook de opperpriesters en schriftgeleerden onder elkander, en zeiden: Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden;
32Scenda ora giù di croce il Cristo, il Re d'Israele; acciocchè noi lo vediamo, e crediamo. Coloro ancora ch'erano stati crocifissi con lui l'ingiuriavano.
32de Christus, Israëls Koning, kome nu eens af van het kruis, opdat we het zien en geloven! Zelfs zij beschimpten Hem, die met Hem waren gekruisigd.
33Poi, venuta l'ora sesta, si fecero tenebre per tutta la terra, infino all'ora di nona.
33Tegen het zesde uur tot het negende toe, viel er duisternis neer over het hele land.
34Ed all'ora di nona, Gesù gridò con gran voce, dicendo: Eloi, Eloi, lamma sabactani? il che, interpretato, vuol dire: Dio mio, Dio mio, perchè mi hai abbandonato?
34Omstreeks het negende uur riep Jesus met luider stem: Eloi Eloi, lamma sabaktáni; dat is: “Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij Mij!”
35Ed alcuni di coloro ch'eran quivi presenti, udito ciò , dicevano: Ecco, egli chiama Elia.
35Sommigen, die daar stonden, hoorden het en zeiden: Zie, Hij roept Elias.
36E un di loro corse; ed empiuta una spugna d'aceto, e postala intorno ad una canna, gli diè da bere, dicendo: Lasciate; vediamo se Elia verrà, per trarlo giù.
36Eén hunner liep heen, vulde een spons met azijn, stak ze op een riet, gaf Hem te drinken, en zeide: Wacht, laat ons eens zien, of Elias Hem er soms af komt halen.
37E Gesù, gettato un gran grido, rendè lo spirito.
37Toen riep Jesus met luider stem, en gaf de geest.
38E la cortina del tempio si fendè in due, da cima a fondo.
38En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot onder.
39E il centurione, ch'era quivi presente di rincontro a Gesù, veduto che dopo aver così gridato, egli avea reso lo spirito, disse: Veramente quest'uomo era Figliuol di Dio.
39Toen nu de hoofdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij onder zulke omstandigheden gestorven was, sprak hij: Waarachtig, deze man was Gods Zoon.
40Or quivi erano ancora delle donne, riguardando da lontano; fra le quali era Maria Maddalena, e Maria madre di Giacomo il piccolo, e di Iose, e Salome;
40Ook enige vrouwen stonden van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus den Jongeren en van Josef en Salome;
41le quali, eziandio mentre egli era nella Galilea, l'aveano seguitato, e gli aveano ministrato; e molte altre, le quali erano salite con lui in Gerusalemme.
41ze waren Hem gevolgd, toen Hij in Galilea was, om Hem te dienen; ook vele anderen waren er bij, die met Hem naar Jerusalem waren opgegaan.
42POI, essendo già sera (perciocchè era la preparazione, cioè l'antisabato),
42Daar het een dag van voorbereiding was, daags voor de sabbat, en het reeds tegen de avond liep,
43Giuseppe, da Arimatea, consigliere onorato, il quale eziandio aspettava il regno di Dio, venne, e, preso ardire, entrò da Pilato, e domandò il corpo di Gesù.
43kwam Josef van Arimatea, een voornaam raadsheer, die ook zelf het koninkrijk Gods verwachtte, en ging vrijmoedig naar Pilatus, om hem het lichaam van Jesus te vragen.
44E Pilato si maravigliò ch'egli fosse già morto. E chiamato a sè il centurione, gli domandò se era gran tempo ch'egli era morto;
44Pilatus verwonderde zich, dat Hij reeds gestorven was; hij ontbood den hoofdman, en vroeg hem, of Hij al lang was gestorven.
45e, saputo il fatto dal centurione, donò il corpo a Giuseppe.
45En toen hij dit van den hoofdman vernomen had, stond hij het lichaam aan Josef af.
46Ed egli, comperato un panno lino, e tratto Gesù giù di croce, l'involse nel panno, e lo pose in un monumento, che era tagliato dentro una roccia; e rotolò una pietra all'apertura del monumento.
46Nu kocht deze een lijnwaad, nam Hem af van het kruis, en wikkelde Hem in het lijnwaad. En hij legde Hem in een graf, dat in een rots was uitgehouwen, en rolde een steen voor de ingang van het graf.
47E Maria Maddalena, e Maria madre di Iose, riguardavano ove egli sarebbe posto.
47Maria Magdalena en Maria van Josef zagen toe, waar Hij werd neergelegd.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.