Markuj
Chapter 2
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1MURIN ran akai a ap pil kotilon on Kapernaum, ap loki jili me a kotikot nan im o.
1Na enige tijd kwam Hij weer te Kafárnaum terug.
2Me toto ap madana pena, im o lao koidala o pil likin im o. A ap kotin kawewe on ir majan o.
2Toen men hoorde, dat Hij binnenshuis was, kwamen er aanstonds zo velen bijeen, dat er geen plaats genoeg was, zelfs niet aan de deur. En Hij preekte hun het woord.
3Irail ari poto don re a, wa kodo me jomau rerer men, roan pa men.
3Nu kwam men Hem een lamme brengen, die door vier man gedragen werd.
4Irail jota kak kai don impa pweki pokon o. Re ap palan pajan pon im o, waja a kotikot ia; irail lao palan pajan ap kakiredi ro o, me jomau o mi poa.
4Daar ze hem wegens de menigte niet bij Hem konden brengen, maakten ze een opening in het dak, waar Hij was; en toen ze het hadden opengebroken, lieten ze het bed, waarop de lamme lag, naar beneden.
5Iejuj lao mani ar pojon, ap majani on me jomau rerer o: Nai, dip om akan lapwa jan uk er!
5Toen Jesus hun geloof zag, sprak Hij tot den lamme: Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.
6Ari, jaunkawewe kai momod waja o, monemonloleki:
6Nu zaten er enige schriftgeleerden bij, die bij zichzelf dachten:
7Da me men et lokelokaia? A lalaue. Ij me kak lapwada dip akan, pwe amen ta, Kot?
7Hoe kan Hij zó spreken? Hij lastert God! Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?
8Iejuj ari madan aniada nan kupur a duen ar monemonlole, ap kotin majani on irail: Da me komail monemonloleki?
8Aanstonds doorzag Jesus in zijn geest, dat ze zo bij zichzelf dachten; en Hij sprak tot hen: Waarom denkt ge dit bij uzelf?
9la me manai ren indai on me jomau rerer: Dip om akan lapwa jan uk er, de inda: Uda, ale ki om, kowei?
9Wat is gemakkelijker, tot den lamme te zeggen: uw zonden worden u vergeven, of te zeggen: sta op, neem uw bed, en ga heen.
10A pwe komail en aja, me Nain aramaj me manaman on lapwada dip akan nin jappa, iei me a kotin majanieki on me jomau rerer:
10Welnu, opdat ge weten moogt, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde, om zonden te vergeven, (hier sprak hij tot den lamme:)
11I indai on uk: Uda! Al eki om! U ko on ni im om!
11Ik zeg u: sta op, neem uw bed, en ga naar huis.
12I ari madan uda, ale ki aluwei mo rail karoj. Irail karoj ari malamalaua kila, kapina Kot inda: Je jaikenta man kilan meakot et!
12Onmiddellijk stond hij op, nam zijn bed, en ging heen ten aanschouwen van allen, zodat allen verbaasd waren, God loofden, en zeiden: Nooit hebben we zo iets gezien.
13I ari pil kotila liman jed o. Irail karoj ap pokon don i, i ari kotin kawewe on irail.
13Weer ging Hij uit naar het meer, en heel de menigte kwam naar Hem toe; en Hij onderrichtte ze.
14A lao kotin daulul waja o, ap majani Lewi, nain Alpauj, a momod ni wajan nopwei, ap majani on i: Idauen ia do! I ari uda idauenla i.
14In het voorbijgaan zag Hij Levi, den zoon van Alfeus, aan het tolhuis zitten; en Hij zei hem: Volg Mij! Hij stond op, en volgde Hem.
15Kadekadeo a lao kaipokedi konot nan im a, jaunopwei o me dipan akan me toto ian Iejuj o japwilim a tounpadak kan konokonot; pwe irail me toto me idauen i.
15Toen Hij eens in diens huis aan tafel was, lagen ook vele tollenaars en zondaars met Jesus en zijn leerlingen aan; want velen waren Hem gevolgd.
16Ari, ni en jaunkawewe Pari jar akan ar kilan a kotin ian me dipan o jaunopwei kan konokonot, irail ap indai on japwilim a tounpadak kan: Da me a ianki jaunopwei o me dipan akan konot o kaker eki?
16De schriftgeleerden en farizeën zagen dus, dat Hij met de tollenaars en zondaars at, en zeiden tot zijn leerlingen: Waarom eet Hij met tollenaars en zondaars?
17Ni en Iejuj aniada, ap kotin majani on irail: Me kelail akan jota mau on jaunwini pwe me jomau ta. I jota kodon ekeredo me pun kan, a me dipan akan.
17Jesus hoorde het, en sprak tot hen: De gezonden hebben geen geneesheer nodig, wel de zieken. Ik ben niet gekomen, om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen.
18Irail ari kodo potoan on i: Da me en Ioanej a tounpadak kan kin kaijejol, o en Parijar ar tounpadak kan, a japwilim omui tounpadak kan jota kin kaijejol?
18De leerlingen van Johannes en de farizeën hadden eens een vastendag. En men kwam naar Hem toe, en zeide Hem: Waarom vasten de leerlingen van Johannes en van de farizeën, en vasten uw leerlingen niet?
19Iejuj ap kotin majani on irail: Da, toun kamadip en kapapaud pan kak kaijejol ni en ol kamod a ian irail? Ni en ol kamod a ian irail, re jota pan kak kaijejol.
19Jesus sprak tot hen: Kunnen de bruiloftsgasten vasten, zolang de bruidegom bij hen is? Zolang ze den bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten.
20A anjau kokodo, me ol kamod pan wijike jan irail, iei ran o, me re pan kaijejol.
20Maar de dagen zullen komen, dat de bruidegom van hen wordt weggenomen; op die dag zullen ze vasten.
21Jota amen me pan deik on likau kap ni likau marin, pwe likau kap pan dei jan likau marin, por o ap pan laudela.
21Niemand zet een lap ongekrompen laken op een oud kleed; anders scheurt het nieuwe stuk van het oude af, en er ontstaat nog groter scheur.
22Pil jota amen me kin deuke kida ed marin wain kap, pwe wain o de ter pajan ed o, wain o ari wudokila, ed o ola. A wain kap mau on nan ed kap.
22Ook giet niemand nieuwe wijn in oude zakken; anders doet de wijn de zakken bersten en de wijn loopt weg; neen, nieuwe wijn in nieuwe zakken!
23Kadekadeo a kotin weid nan mat en korn ni ran en japat. Japwilim a tounpadak kan ap dondolun kowei wan korn.
23Eens ging Hij op de sabbat door het korenveld, en zijn leerlingen begonnen, al voortwandelend, aren te plukken.
24Parijar oko ap indai on i: Kilan, da me irail wia ni japat. me jota pun, en wiaui?
24En de farizeën zeiden Hem: Zie, waarom doen ze op de sabbat wat niet is geoorloofd?
25A kotin majani on irail: Komail jota wadoker, me Dawid wiadar, ni a men kaualap, o a men mana, i o me ian i?
25Hij sprak tot hen: Hebt ge nooit gelezen, wat David deed, toen hij in nood was met zijn gevolg, en honger had?
26Duen a pedelon on nan tanpaj en Kot ni muein Apiulm jamero lapalap, o kanala prul mairon o nek on irail, me ian i, me jota pun aramaj en tunole, jamero kan eta?
26Hoe hij onder den hogepriester Abjatár het huis van God binnenging, en de toonbroden opat, die alleen de priesters mogen eten: en hoe hij er ook van gaf aan hen, die bij hem waren?
27A ap kotin majani on irail: Japat me wiaui on aramaj a kaidik aramaj on japat.
27En Hij vervolgde tot hen: De sabbat is om den mens gemaakt, en niet de mens om de sabbat.
28I me Nain aramaj pil udan kaun en japat.
28De Mensenzoon is dus ook heer van de sabbat.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.