Micha
Chapter 2

Micha

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wee hun, die op slechtheid zinnen, En op hun legerstede boosheid beramen: Om het in de morgenstond ten uitvoer te brengen, Wanneer ze er de macht toe bezitten.
1[Væ qui cogitatis inutile, et operamini malum in cubilibus vestris ! In luce matutina faciunt illud, quoniam contra Deum est manus eorum.
2Ze begeren akkers: ze roven ze weg; Huizen: ze nemen ze af; Ze maken zich meester van den man en zijn huis, Van den eigenaar en zijn bezit.
2Et concupierunt agros, et violenter tulerunt: et rapuerunt domos, et calumniabantur virum, et domum ejus: virum, et hæreditatem ejus.
3Daarom spreekt Jahweh: Zie, Ik beraam een onheil tegen dit ras, Dat ge niet van uw hals zult schudden, En waaronder ge niet rechtop kunt gaan. Ja, een boze tijd zal het zijn
3Idcirco hæc dicit Dominus: Ecce ego cogito super familiam istam malum, unde non auferetis colla vestra, et non ambulabitis superbi: quoniam tempus pessimum est.
4Op die dag! Dan zal men dit spotlied, Deze klaagzang over u zingen: “Wij zijn verloren, verloren! Het erfdeel van mijn volk is reddeloos heen; Onze akkers worden als buit verdeeld,
4In die illa sumetur super vos parabola, et cantabitur canticum cum suavitate, dicentium: Depopulatione vastati sumus; pars populi mei commutata est: quomodo recedet a me, cum revertatur, qui regiones nostras dividat?
5Niemand werpt voor u het lot voor uw deel!”
5Propter hoc non erit tibi mittens funiculum sortis in cœtu Domini.
6Profeteert toch niet in de gemeente van Jahweh, Voorspelt toch zulke dingen niet!
6Ne loquamini loquentes; non stillabit super istos, non comprehendet confusio.
7Neen, schande noch vloek Zal Jakobs huis kunnen treffen! Is Jahweh dan niet lankmoedig, Of zijn dàt soms zijn werken; Zijn zijn woorden niet vol goedheid Voor Israël, zijn volk?
7Dicit domus Jacob: Numquid abbreviatus est spiritus Domini, aut tales sunt cogitationes ejus? nonne verba mea bona sunt cum eo qui recte graditur?
8Maar gij zijt niet mijn volk, Gij treedt op als mijn vijand: Vreedzame lieden ontrooft gij hun mantel, Van argeloze wandelaars neemt gij buit.
8et e contrario populus meus in adversarium consurrexit. Desuper tunica pallium sustulistis: et eos qui transibant simpliciter convertistis in bellum.
9Gij verjaagt de vrouwen van mijn volk Uit het huis, dat haar lief is; En haar kinderen berooft ge Van mijn glorie voor immer.
9Mulieres populi mei ejecistis de domo deliciarum suarum; a parvulis earum tulistis laudem meam in perpetuum.
10Staat op, en gaat heen, Want dit land is geen rustplaats voor u; Om zijn onreinheid Gaat het onherroepelijk te gronde.
10Surgite, et ite, quia non habetis hic requiem: propter immunditiam ejus corrumpetur putredine pessima.
11Als ik iemand was, Die u ijdele leugens verkondde, Dan profeteerde ik u van wijn en drank: Dat zou eerst een profeet zijn voor uw volk!
11Utinam non essem vir habens spiritum, et mendacium potius loquerer ! Stillabo tibi in vinum et in ebrietatem; et erit super quem stillatur populus iste.
12Maar Ik jaag heel Jakob bijeen, Haal de resten van Israël samen; Ik drijf ze opeen als benauwde schapen, Als een kudde in nood, verward door hun rampspoed.
12Congregatione congregabo, Jacob, totum te; in unum conducam reliquias Israël: pariter ponam illum quasi gregem in ovili, quasi pecus in medio caularum: tumultuabuntur a multitudine hominum.
13De belhamel gaat voor hen uit, Ze dringen door de poort naar buiten; Hun koning trekt voor hen uit, En Jahweh is aan hun spits.
13Ascendet enim pandens iter ante eos: divident, et transibunt portam, et ingredientur per eam: et transibit rex eorum coram eis, et Dominus in capite eorum.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.