Lucas 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Eens was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij ophield, sprak een zijner leerlingen tot Hem: Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen heeft geleerd.
1Quando ele terminou de orar em certo lugar, um de seus discípulos lhe disse: “Senhor, ensina-nos a orar, assim como João também ensinou aos seus discípulos.”
2Hij sprak tot hen: Zegt, wanneer gij bidt: Vader, uw naam worde geheiligd; uw rijk kome.
2Ele lhes disse: “Quando orarem, digam: 'Pai nosso, que estás nos céus, santificado seja o teu nome. Venha o teu Reino. Seja feita a tua vontade, assim na terra como no céu.
3Geef ons elke dag ons dagelijks brood.
3Dá-nos dia a dia o nosso pão diário.
4En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan allen hun schuld. En leid ons niet in bekoring.
4Perdoa-nos os nossos pecados, pois nós mesmos também perdoamos a todo aquele que nos deve. E não nos deixes cair em tentação, mas livra-nos do maligno.'”
5Ook zeide Hij hun: Veronderstelt, iemand van u heeft een vriend, en hij gaat te middernacht naar hem toe, en zegt: Vriend, leen me drie broden;
5Ele lhes disse: “Qual de vocês, se for a um amigo à meia-noite e lhe disser: 'Amigo, empresta-me três pães,
6want een van mijn vrienden is op reis bij me aangekomen, en ik heb niets om hem voor te zetten.
6pois um amigo meu chegou de viagem à minha casa, e não tenho nada para lhe oferecer',
7Zou dan de andere soms van binnen uit antwoorden, en zeggen: Val me niet lastig; de deur is al gesloten, en mijn kinderen zijn met mij te bed; ik kan niet opstaan, om het u te geven.
7e ele, lá de dentro, responder e disser: 'Não me incomode. A porta já está fechada, e meus filhos estão comigo na cama. Não posso me levantar para lhe dar nada'?
8Ik zeg u: Al zou hij niet opstaan en het hem geven, omdat hij zijn vriend is, dan zal hij toch om zijn lastig aanhouden opstaan, en hem geven al wat hij nodig heeft.
8Eu lhes digo: embora ele não se levante para dar-lhe por ser seu amigo, ainda assim, por causa da sua persistência, ele se levantará e lhe dará tudo o que precisar.
9Zo zeg Ik ook u: Vraagt en men zal u geven; zoekt en gij zult vinden; klopt en men zal u opendoen.
9“Eu lhes digo: continuem pedindo, e lhes será dado. Continuem buscando, e encontrarão. Continuem batendo, e lhes será aberto.
10Want wie vraagt, ontvangt; wie zoekt, vindt: wie klopt, hem doet men open.
10Pois todo o que pede, recebe. O que busca, encontra. E àquele que bate, a porta será aberta.
11Welke vader is er onder u, die aan zijn zoon een steen zal geven, als hij om brood vraagt; of als hij om vis vraagt, hem in plaats van een vis, een slang zal geven;
11“Qual de vocês, pais, se o seu filho pedir pão, lhe dará uma pedra? Ou se pedir um peixe, lhe dará uma cobra em vez de peixe?
12of als hij vraagt om een ei, hem een schorpioen geven zal?
12Ou se pedir um ovo, lhe dará um escorpião?
13Als gij dan, aan uw kinderen goede gaven weet te schenken, hoewel gij boos zijt, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader den Heiligen Geest geven aan wie tot Hem bidden!
13Se vocês, então, sendo maus, sabem dar boas dádivas aos seus filhos, quanto mais o seu Pai celestial dará o Espírito Santo àqueles que lhe pedirem?”
14Eens dreef Hij een duivel uit, die stom was; en toen de duivel was uitgegaan, sprak de stomme. En het volk stond verbaasd.
14Ele estava expulsando um demônio, e este era mudo. Quando o demônio saiu, o mudo falou; e as multidões se maravilharam.
15Maar sommigen hunner zeiden: Door Beélzebub, den vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit.
15Mas alguns deles disseram: “Ele expulsa os demônios por Belzebu, o príncipe dos demônios.”
16Anderen vroegen Hem een teken uit de hemel, om Hem op de proef te stellen.
16Outros, testando-o, pediam-lhe um sinal do céu.
17Maar Hij kende hun gedachten, en sprak tot hen: Ieder rijk, dat inwendig verdeeld is, zal worden verwoest; het ene huis zal er op het andere vallen.
17Mas ele, conhecendo os pensamentos deles, disse-lhes: “Todo reino dividido contra si mesmo é levado à desolação. Uma casa dividida contra si mesma cai.
18Wanneer dus de satan tegen zichzelf is verdeeld, hoe zal zijn rijk dan stand kunnen houden? Toch zegt gij, dat Ik door Beélzebub de duivels uitdrijf.
18Se Satanás também está dividido contra si mesmo, como o seu reino subsistirá? Pois vocês dizem que eu expulso os demônios por Belzebu.
19Maar als Ik door Beélzebub de duivels uitdrijf, door wien drijven dan uw zonen ze uit? Daarom zullen zijzelf uw rechters zijn.
19Mas, se eu expulso os demônios por Belzebu, por quem os filhos de vocês os expulsam? Portanto, eles serão os seus juízes.
20Maar als Ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf, dan is ook het koninkrijk Gods onder u gekomen.
20Mas, se é pelo dedo de Deus que eu expulso os demônios, então o Reino de Deus chegou a vocês.
21Wanneer de sterke in volle wapenrusting zijn erf bewaakt, dan is zijn have in veiligheid.
21“Quando o homem forte, bem armado, guarda a sua própria casa, os seus bens estão seguros.
22Maar wanneer een, die sterker is dan hij, hem overvalt en overwint, dan ontneemt hij hem zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit.
22Mas, quando alguém mais forte o ataca e o vence, tira-lhe toda a armadura em que confiava, e divide os seus despojos.
23Wie niet met Mij is, is tegen Mij; en wie niet met Mij verzamelt, verstrooit.
23“Quem não é por mim, é contra mim. Quem não ajunta comigo, espalha.
24Wanneer de onreine geest van iemand is uitgegaan, zwerft hij rond in dorre oorden; hij zoekt naar rust, en vindt ze niet. Dan zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, waar ik ben uitgegaan.
24O espírito imundo, quando sai do homem, passa por lugares áridos, buscando descanso; e não o encontrando, diz: 'Voltarei para a minha casa de onde saí.'
25En bij zijn komst vindt hij het geveegd en versierd.
25Quando retorna, encontra-a varrida e em ordem.
26Dan gaat hij heen, en neemt zeven andere geesten met zich mee, die bozer zijn dan hijzelf; ze komen binnen, en gaan er wonen. En het einde van dien man wordt erger nog dan het begin.
26Então ele vai e leva consigo outros sete espíritos piores do que ele, e eles entram e habitam ali. O último estado daquele homem torna-se pior do que o primeiro.”
27Terwijl Hij zo sprak, verhief een vrouw uit het volk haar stem, en zei Hem: Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten die U hebben gezoogd.
27Aconteceu que, enquanto ele dizia essas coisas, uma certa mulher da multidão levantou a voz e lhe disse: “Bem-aventurado o ventre que te gerou, e os seios que te amamentaram!”
28Maar Hij zeide: Zalig eerder, die luisteren naar Gods woord, en het beleven.
28Mas ele disse: “Pelo contrário, bem-aventurados são os que ouvem a palavra de Deus e a guardam.”
29En toen de menigte samenstroomde, begon Hij aldus: Dit geslacht is een boos geslacht; het vraagt een teken, en geen teken zal hun worden gegeven, dan het teken van Jonas.
29Quando as multidões se ajuntavam a ele, começou a dizer: “Esta é uma geração má. Ela pede um sinal. Nenhum sinal lhe será dado, senão o sinal do profeta Jonas.
30Want zoals Jonas een teken was voor de Ninivieten, zo zal het ook de Mensenzoon zijn voor dit geslacht.
30Pois, assim como Jonas se tornou um sinal para os ninivitas, também o Filho do Homem o será para esta geração.
31De koningin van het Zuiden zal in het oordeel opstaan te zamen met de mannen van dit geslacht, en ze veroordelen; want ze kwam van het uiteinde der aarde om Sálomons wijsheid te horen; en zie, meer dan Sálomon is hier.
31A Rainha do Sul se levantará no juízo com os homens desta geração e os condenará, pois ela veio dos confins da terra para ouvir a sabedoria de Salomão; e eis que está aqui quem é maior do que Salomão.
32De mannen van Ninive zullen in het oordeel opstaan te zamen met dit geslacht, en het veroordelen; want ze bekeerden zich op de prediking van Jonas; en zie, meer dan Jonas is hier.
32Os homens de Nínive se levantarão no juízo com esta geração, e a condenarão, pois eles se arrependeram com a pregação de Jonas; e eis que está aqui quem é maior do que Jonas.
33Niemand steekt een lamp aan, om ze in de kelder of onder de korenmaat te zetten, maar op de kandelaar; opdat wie binnenkomt, het licht kan zien.
33“Ninguém, depois de acender uma candeia, a coloca em um porão ou debaixo de um cesto, mas num suporte, para que os que entram vejam a luz.
34Uw oog is de lamp van het lichaam. Als uw oog goed is, dan is heel uw lichaam verlicht; maar deugt het niet, dan is ook uw lichaam in het duister.
34A candeia do corpo é o olho. Portanto, quando o seu olho for bom, todo o seu corpo também estará cheio de luz; mas quando for mau, o seu corpo também estará cheio de trevas.
35Zorgt er dus voor, dat het licht in u geen duisternis wordt.
35Portanto, veja se a luz que há em você não é, na verdade, escuridão.
36Wanneer dus heel uw lichaam verlicht is, zonder een enkel duister deel, hoe zal het geheel dan verlicht zijn, als de lamp u nog met haar stralen verlicht.
36Se, portanto, todo o seu corpo estiver cheio de luz, não tendo nenhuma parte em trevas, ele será totalmente iluminado, como quando a candeia o ilumina com o seu resplendor.”
37Terwijl Hij nog sprak, nodigde een farizeër Hem bij zich aan tafel; Hij trad binnen, en nam plaats
37Enquanto ele falava, um certo fariseu o convidou para jantar com ele. Ele entrou e sentou-se à mesa.
38Maar de farizeër verwonderde zich, toen hij zag, dat Hij Zich niet eerst voor de maaltijd gewassen had.
38Quando o fariseu viu isso, maravilhou-se de que ele não tivesse se lavado antes do jantar.
39De Heer sprak tot hem: Gij, farizeër, gij reinigt dus de buitenkant van beker en schotel. maar uw eigen binnenste is vol roof en bederf.
39O Senhor lhe disse: “Agora, vocês, fariseus, limpam o exterior do copo e do prato, mas o interior de vocês está cheio de extorsão e maldade.
40Dwazen! Heeft Hij, die het uitwendige maakte, ook het inwendige niet gemaakt?
40Insensatos, quem fez o exterior não fez também o interior?
41Geeft liever de inhoud als aalmoes; en zie, dan is alles u rein.
41Mas deem aos necessitados o que está dentro, e eis que todas as coisas lhes serão limpas.
42Maar wee u, farizeën! Want gij betaalt tienden van muntkruid, wijnruitplant en allerlei groenten, maar gij verwaarloost het recht en de liefde tot God. Dit moet men doen, en het andere niet laten.
42Mas ai de vocês, fariseus! Pois vocês dão o dízimo da hortelã, da arruda e de todas as hortaliças, mas deixam de lado a justiça e o amor de Deus. Vocês deviam ter feito estas coisas, sem omitir aquelas.
43Wee u, farizeën! Want gij zijt belust op de ereplaatsen in de synagogen en de begroetingen op de marktpleinen.
43Ai de vocês, fariseus! Pois vocês amam os primeiros assentos nas sinagogas e as saudações nas praças.
44Wee u! Want gij zijt gelijk aan onzichtbare graven; de mensen lopen er over heen zonder het te weten.
44Ai de vocês, escribas e fariseus, hipócritas! Pois vocês são como sepulturas ocultas, e os homens que andam sobre elas não o sabem.”
45Een van de wetgeleerden nam het woord, en zeide tot Hem: Meester, door zo te spreken, beledigt ge ook ons.
45Um dos intérpretes da lei lhe respondeu: “Mestre, ao dizer isso, o senhor também nos ofende.”
46Hij sprak: Ook u, wetgeleerden, wee! Want gij legt den mensen zware lasten op, maar zelf raakt gij de lasten met geen vinger aan.
46Ele disse: “Ai de vocês também, intérpretes da lei! Pois vocês sobrecarregam os homens com fardos difíceis de carregar, e vocês mesmos não levantam nem um dedo para ajudar a carregar esses fardos.
47Wee u! Want gij bouwt de grafsteden der profeten, maar uw vaders hebben ze gedood.
47Ai de vocês! Pois vocês edificam os túmulos dos profetas, e os pais de vocês os mataram.
48Zo getuigt gij, deel te hebben aan de daden van uw vaders; want zij doodden hen, gij bouwt.
48Assim, vocês testemunham e consentem com as obras dos seus pais. Pois eles os mataram, e vocês edificam os seus túmulos.
49Daarom heeft ook Gods wijsheid gezegd: Ik zal tot hen profeten en apostelen zenden, en sommigen van hen zullen ze doden en vervolgen;
49Por isso também a sabedoria de Deus disse: 'Eu lhes enviarei profetas e apóstolos; e a alguns deles eles matarão e perseguirão,
50opdat van dit geslacht het bloed van alle profeten zou worden opgeëist, dat sinds de grondvesting der wereld vergoten is:
50para que o sangue de todos os profetas, derramado desde a fundação do mundo, seja cobrado desta geração,
51van het bloed van Abel af, tot het bloed van Zakarias toe, die gedood is tussen het altaar en de tempel. Ja, Ik zeg u, het zal van dit geslacht worden opgeëist.
51desde o sangue de Abel até o sangue de Zacarias, que pereceu entre o altar e o santuário.' Sim, eu lhes digo, isso será cobrado desta geração.
52Wee u, wetgeleerden! Want gij hebt de sleutel tot de kennis weggenomen; zelf zijt gij niet binnengegaan, en hen, die er in willen gaan, hebt gij tegengehouden.
52Ai de vocês, intérpretes da lei! Pois vocês tiraram a chave do conhecimento. Vocês mesmos não entraram, e impediram os que estavam entrando.”
53Toen Hij hun dit gezegd had, begonnen de schriftgeleerden en farizeën Hem heftig aan te vallen, en Hem allerlei strikvragen te stellen;
53Enquanto ele lhes dizia essas coisas, os escribas e os fariseus começaram a ficar terrivelmente irados e a pressioná-lo com perguntas sobre muitas coisas,
54ze loerden er op, uit zijn mond iets op te vangen, om Hem te beschuldigen.
54armando-lhe ciladas e procurando apanhá-lo em algo que dissesse, para que pudessem acusá-lo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.