Leviticus 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Na de dood van de twee zonen van Aäron, die waren gestorven, toen zij voor het aanschijn van Jahweh wilden naderen, sprak Jahweh tot Moses,
1O SENHOR falou a Moisés depois da morte dos dois filhos de Arão, quando eles se aproximaram diante do SENHOR e morreram;
2en zeide tot hem: Zeg uw broeder Aäron, dat hij niet ten allen tijde in het heiligdom mag komen achter het voorhangsel en voor het verzoendeksel, dat op de ark ligt; anders zal hij sterven. Want Ik verschijn in de wolk boven het verzoendeksel.
2e o SENHOR disse a Moisés: “Diga a Arão, seu irmão, que não entre a qualquer momento no Lugar Santíssimo, para dentro do véu, diante do propiciatório que está sobre a arca, para que não morra; pois eu aparecerei na nuvem sobre o propiciatório.
3Slechts dan mag Aäron binnen het heiligdom komen, wanneer een jonge stier als zondeoffer en een ram als brandoffer is opgedragen.
3“Arão entrará no santuário com um novilho para oferta pelo pecado, e um carneiro para holocausto.
4Hij moet de heilige tuniek van lijnwaad aantrekken, de linnen heupkleren om zijn lichaam dragen, de linnen gordel omdoen, en zijn hoofd met de linnen tulband omwikkelen. Dit zijn de heilige gewaden. Hij moet ze aantrekken na eerst zijn lichaam met water te hebben gewassen.
4Ele vestirá a túnica sagrada de linho. Ele vestirá os calções de linho sobre o corpo, colocará o cinto de linho e se vestirá com o turbante de linho. Estas são as vestes sagradas. Ele banhará o seu corpo em água e as vestirá.
5Van de gemeenschap der Israëlieten moet hij twee bokken nemen voor een zondeoffer, en één ram voor een brandoffer.
5Ele tomará da congregação dos filhos de Israel dois bodes para oferta pelo pecado, e um carneiro para holocausto.
6Dan moet Aäron den stier, die voor zijn eigen zondeoffer is bestemd, opdragen, om voor zichzelf en zijn huis verzoening te verkrijgen.
6“Arão oferecerá o novilho da oferta pelo pecado, que é para si mesmo, e fará expiação por si mesmo e por sua casa.
7Vervolgens moet hij de twee bokken nemen, ze voor het aanschijn van Jahweh aan de ingang van de openbaringstent plaatsen,
7Ele tomará os dois bodes e os apresentará diante do SENHOR, à porta da Tenda do Encontro.
8en over de beide bokken het lot werpen: één lot voor Jahweh, één lot voor Azazel.
8Arão lançará sortes sobre os dois bodes: uma sorte para o SENHOR, e a outra sorte para o bode emissário.
9Den bok, waarop het lot voor Jahweh valt, moet hij vóór laten brengen en als zondeoffer opdragen.
9Arão apresentará o bode sobre o qual caiu a sorte para o SENHOR, e o oferecerá como oferta pelo pecado.
10Den bok, waarop het lot voor Azazel valt, moet hij levend voor het aanschijn van Jahweh plaatsen, om de verzoeningsplechtigheid aan hem te verrichten, en hem dan de woestijn in te jagen naar Azazel.
10Mas o bode sobre o qual caiu a sorte para bode emissário será apresentado vivo diante do SENHOR, para fazer expiação por ele, para enviá-lo como bode emissário ao deserto.
11Vervolgens moet Aäron den stier, die voor zijn zondeoffer bestemd is, vóór doen brengen, verzoening voor zich en zijn huis verkrijgen, en den stier als zijn eigen zondeoffer slachten.
11“Arão apresentará o novilho da oferta pelo pecado, que é para si mesmo, e fará expiação por si mesmo e por sua casa, e matará o novilho da oferta pelo pecado que é para si mesmo.
12Daarna moet hij een pan vol gloeiende kolen van het altaar, dat voor het aanschijn van Jahweh staat, met twee volle handen fijne geurige wierook nemen, die achter het voorhangsel brengen,
12Ele tomará um incensário cheio de brasas de fogo do altar que está diante do SENHOR, e dois punhados de incenso aromático bem moído, e o trará para dentro do véu.
13en de wierook voor Jahweh’s aanschijn op het vuur leggen, zodat de wierookwolken het verzoendeksel boven de wettafelen omhullen; anders zou hij sterven.
13Ele colocará o incenso sobre o fogo diante do SENHOR, para que a nuvem do incenso cubra o propiciatório que está sobre a arca da aliança, para que ele não morra.
14Dan moet hij wat bloed van den stier nemen, dat met zijn vinger aan de voorkant op het verzoendeksel en zevenmaal vóór het verzoendeksel sprenkelen.
14Ele tomará um pouco do sangue do novilho e o aspergirá com o dedo sobre o propiciatório, no lado leste; e diante do propiciatório ele aspergirá um pouco do sangue com o dedo sete vezes.
15Daarna moet hij den bok slachten, die voor het zondeoffer van het volk is bestemd, zijn bloed achter het voorhangsel brengen, en daarmee handelen als met het bloed van den stier: het dus op en vóór het verzoendeksel sprenkelen.
15“Então ele matará o bode da oferta pelo pecado que é pelo povo, e trará o seu sangue para dentro do véu, e fará com o seu sangue como fez com o sangue do novilho, e o aspergirá sobre o propiciatório e diante do propiciatório.
16Zo moet hij voor het heiligdom de verzoeningsplechtigheid verrichten en het zuiveren van alle onreinheden en overtredingen der Israëlieten, welke hun zonden ook zijn. Vervolgens moet hij hetzelfde doen met de openbaringstent, die bij hen te midden van hun onreinheden staat.
16Ele fará expiação pelo Lugar Santo, por causa da impureza dos filhos de Israel e por causa das suas transgressões, sim, de todos os seus pecados; e assim ele fará pela Tenda do Encontro, que está armada entre eles no meio da sua impureza.
17Niemand mag in de openbaringstent aanwezig zijn, van het ogenblik af, dat hij er binnentreedt, om in het heiligdom de verzoeningsplechtigheid te verrichten, totdat hij ze weer verlaat.
17Ninguém deverá estar na Tenda do Encontro quando ele entrar para fazer expiação no Lugar Santo, até que ele saia, e tenha feito expiação por si mesmo, por sua casa e por toda a assembleia de Israel.
18Vervolgens moet hij naar buiten gaan naar het altaar, dat voor het aanschijn van Jahweh staat, om ook daarvoor de verzoeningsplechtigheid te verrichten. Hij moet wat bloed van den stier en van den bok nemen, daarmee de hoornen van het altaar aan alle kanten bestrijken,
18“Ele sairá para o altar que está diante do SENHOR e fará expiação por ele; tomará um pouco do sangue do novilho e um pouco do sangue do bode, e o colocará ao redor, sobre os chifres do altar.
19en met zijn vinger zeven maal wat bloed daarop sprenkelen. Zo zal hij het zuiveren van de onreinheden der Israëlieten en het weer heiligen.
19Ele aspergirá um pouco do sangue sobre ele com o dedo sete vezes, e o purificará, e o santificará da impureza dos filhos de Israel.
20Wanneer hij de verzoeningsplechtigheid voor het heiligdom, de openbaringstent en het altaar heeft beëindigd, moet hij den levenden bok voor laten brengen.
20“Quando ele terminar de fazer expiação pelo Lugar Santo, pela Tenda do Encontro e pelo altar, ele apresentará o bode vivo.
21Aäron moet zijn beide handen op de kop van den levenden bok leggen, over hem de belijdenis van de misdaden en overtredingen der Israëlieten uitspreken, wat hun zonden ook zijn, ze op de kop van den bok leggen en hem door iemand, die daarvoor is aangewezen, de woestijn in laten jagen.
21Arão imporá ambas as mãos sobre a cabeça do bode vivo e confessará sobre ele todas as iniquidades dos filhos de Israel, e todas as suas transgressões, sim, todos os seus pecados; e os colocará sobre a cabeça do bode, e o enviará ao deserto pelas mãos de um homem preparado para isso.
22Deze moet den bok in de woestijn loslaten, en de bok zal al hun zonden naar de wildernis dragen.
22O bode levará sobre si todas as iniquidades deles para uma terra solitária, e o homem soltará o bode no deserto.
23Vervolgens moet Aäron de openbaringstent binnengaan, de linnen gewaden uittrekken, waarmee hij zich had bekleed, toen hij het heiligdom binnentrad, ze daar weer neerleggen,
23“Arão entrará na Tenda do Encontro, tirará as vestes de linho que vestiu quando entrou no Lugar Santo, e as deixará ali.
24zich op een heilige plaats wassen, en zijn eigen kleren weer aandoen. Dan moet hij naar buiten gaan, en zijn eigen brandoffer en dat voor het volk opdragen. Zo moet hij voor zichzelf en het volk verzoening verkrijgen.
24Então ele banhará o seu corpo em água num lugar santo, vestirá as suas próprias roupas, e sairá para oferecer o seu holocausto e o holocausto do povo, e fará expiação por si mesmo e pelo povo.
25Het vet van het zondeoffer moet hij op het altaar in rook doen opgaan.
25A gordura da oferta pelo pecado ele queimará sobre o altar.
26Hij, die den bok voor Azazel heeft weggebracht, moet zijn kleren wassen en zich baden; dan eerst mag hij in de legerplaats komen.
26“Aquele que soltar o bode como bode emissário lavará as suas roupas e banhará o seu corpo em água, e depois entrará no acampamento.
27Den stier en den bok van het zondeoffer, wier bloed binnen het heiligdom is gebracht, om verzoening te verkrijgen, moet men buiten de legerplaats brengen, en hun huid, hun vlees en de darmen moet men verbranden.
27O novilho para a oferta pelo pecado e o bode para a oferta pelo pecado, cujo sangue foi trazido para fazer expiação no Lugar Santo, serão levados para fora do acampamento; e queimarão no fogo o seu couro, a sua carne e o seu excremento.
28Die ze verbrand heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; dan eerst mag hij in de legerplaats komen.
28Aquele que os queimar lavará as suas roupas e banhará o seu corpo em água, e depois entrará no acampamento.
29Dit is voor u een eeuwig geldende wet: Op de tiende dag van de zevende maand moet ge boete doen en u van alle arbeid onthouden; dit geldt zowel voor den ingezetene als den vreemdeling, die in uw midden woont.
29“Isto será um estatuto perpétuo para vocês: no sétimo mês, no décimo dia do mês, vocês afligirão as suas almas, e não farão nenhum tipo de trabalho, seja o natural da terra ou o estrangeiro que peregrina entre vocês;
30Want op die dag zal men de verzoeningsplechtigheid voor u verrichten, om u te reinigen, en zult ge van al uw zonden voor het aanschijn van Jahweh worden bevrijd.
30pois neste dia se fará expiação por vocês, para purificá-los. Vocês ficarão puros de todos os seus pecados perante o SENHOR.
31Het moet voor u een volkomen rustdag zijn, waarop ge boete moet doen; dit is een eeuwig geldende wet.
31É um sábado de descanso solene para vocês, e vocês afligirão as suas almas. É um estatuto perpétuo.
32De priester, dien men zal zalven en als opvolger van zijn vader tot priester zal aanstellen, moet de verzoeningsplechtigheid verrichten. Bekleed met de heilige linnen gewaden,
32O sacerdote, que for ungido e consagrado para oficiar como sacerdote no lugar de seu pai, fará a expiação, e vestirá as vestes de linho, as vestes sagradas.
33moet hij de verzoeningsplechtigheid verrichten voor het heilige der heiligen, voor de openbaringstent, voor het altaar, en eveneens voor de priesters en voor heel de gemeente van het volk.
33Então ele fará expiação pelo Santo Santuário; e fará expiação pela Tenda do Encontro e pelo altar; e fará expiação pelos sacerdotes e por todo o povo da assembleia.
34Dit moet voor u een eeuwig geldende wet zijn, om eenmaal per jaar voor Israëls kinderen verzoening te verkrijgen en kwijtschelding van hun zonden. En Aäron deed, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
34“Este será um estatuto perpétuo para vocês, para fazer expiação pelos filhos de Israel uma vez por ano, por causa de todos os seus pecados.” E foi feito como o SENHOR ordenou a Moisés.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.