Jozua 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Synodal Translation (Синодальный перевод)
1Toen alle koningen aan de overzijde van de Jordaan, in het bergland, in de Sjefela en langs heel de kust van de Grote Zee tot de Libanon toe, dit vernamen, verbonden de Chittieten en Amorieten, de Kanaänieten en Perizzieten, de Chiwwieten en Jeboesieten
1Услышав сие, все цари Аморрейские, которые за Иорданом, на горе и на равнине и по всему берегу великого моря, и которые близ Ливана, Хеттеи, Аморреи, Гергесеи, Хананеи, Ферезеи, Евеи и Иевусеи,
2zich met elkander, om met vereende krachten Josuë en Israël te bestrijden.
2собрались вместе, дабы единодушно сразиться с Иисусом и Израилем.
3Maar zodra de inwoners van Gibon hoorden, wat Josuë met Jericho en Ai had gedaan,
3Но жители Гаваона, услышав, что Иисус сделал с Иерихоном и Гаем,
4gingen ook zij listig te werk. Ze begaven zich vermomd op weg, namen versleten zakken voor hun ezels, versleten wijnzakken, gescheurd en genaaid,
4употребили хитрость: пошли, запаслись хлебом на дорогу и положили ветхие мешки на ослов своих и ветхие, изорванные и заплатанные мехи вина;
5trokken afgedragen en gelapte sandalen aan hun voeten en versleten kleren aan het lijf, terwijl al het brood voor onderweg al uitgedroogd en verkruimeld was.
5и обувь на ногах их была ветхая с заплатами, и одежда на них ветхая; и весь дорожный хлеб их был сухой и заплесневелый и раскрошенный.
6Zo trokken ze naar Josuë in het kamp te Gilgal, en zeiden tot hem en de Israëlieten: Wij zijn uit een ver land gekomen; sluit dus met ons een verbond.
6Они пришли к Иисусу в стан Израильский в Галгал и сказали ему и всем Израильтянам: из весьма дальней земли пришли мы; итак заключите с нами союз.
7Maar de Israëlieten zeiden tot de Chiwwieten: Misschien woont ge wel vlak bij ons; hoe kunnen we dan met u een verbond sluiten?
7Израильтяне же сказали Евеям: может быть, вы живете близ нас? как нам заключить с вами союз?
8Toen zeiden ze tot Josuë: We zijn uw dienstknechten. Maar Josuë vroeg hun: Wie zijt ge, en waar komt ge vandaan?
8Они сказали Иисусу: мы рабы твои. Иисус же сказал им: кто вы и откуда пришли?
9Ze antwoordden hem: Uit een zeer ver land zijn uw dienaren gekomen, om de faam van Jahweh, uw God. Want we hebben van Hem gehoord, en van al wat Hij heeft gedaan in Egypte,
9Они сказали ему: из весьма дальней земли пришли рабы твои во имя Господа Бога твоего; ибо мы слышали славу Его и все, что сделал Он в Египте,
10en aan de beide amorietische koningen over de Jordaan, Sichon, den koning van Chesjbon, en Og, den koning van Basjan, te Asjtarot.
10и все, что Он сделал двум царям Аморрейским, которые были по ту сторону Иордана, Сигону, царю Есевонскому, и Огу, царю Васанскому, который жил в Астарофе и Едреи.
11Daarom zeiden onze oudsten en al onze landgenoten tot ons: Neemt levensmiddelen voor onderweg met u mee, gaat hun tegemoet en zegt hun: “We zijn uw dienaars; sluit dus een verbond met ons.”
11Слыша сие, старейшины наши и все жители нашей земли сказали нам: возьмите в руки ваши хлеба на дорогу и пойдите навстречу им и скажите им: “мы рабы ваши; итак заключите с нами союз”.
12Dit is ons brood; vers namen we het als proviand uit onze huizen mee, toen we naar u op reis gingen; nu is het uitgedroogd en verkruimeld.
12Этот хлеб наш из домов наших мы взяли теплый в тот день, когда пошли к вам, а теперь вот, он сделался сухой и заплесневелый;
13Hier zijn de wijnzakken, die we vulden, toen ze nog nieuw waren; nu zijn ze gescheurd. En hier zijn onze kleren en schoenen; ze zijn versleten van de zeer lange reis.
13и эти мехи с вином, которые мы налили новые, вот, изорвались; и эта одежда наша и обувь наша обветшала от весьма дальней дороги.
14Toen namen de mannen van hun proviand, zonder Jahweh te raadplegen.
14Израильтяне взяли их хлеба, а Господа не вопросили.
15Ook Josuë wenste hun de vrede, en sloot met hen een verbond, dat hij hen zou sparen; en de overheden van het vergaderde volk beloofden het hun onder ede.
15И заключил Иисус с ними мир и постановил с ними условие в том, что он сохранит им жизнь; и поклялись им начальники общества.
16Drie dagen, nadat ze met hen het verbond hadden gesloten, hoorden ze echter, dat ze hun naaste buren waren, en vlak bij hen woonden.
16А чрез три дня, как заключили они с ними союз, услышали, что они соседи их и живут близ них;
17Toen braken de Israëlieten op, en kwamen de derde dag bij hun steden; het waren Gibon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim.
17ибо сыны Израилевы, отправившись в путь, пришли в города их на третий день; города же их были: Гаваон, Кефира, Беероф и Кириаф-Иарим.
18Toch sloegen de zonen Israëls hen niet neer, daar de overheden van het vergaderde volk het hun bij Jahweh, Israëls God, hadden gezworen. Wel begon het hele volk tegen de overheden te morren,
18Иисус и сыны Израилевы не побили их, потому что все начальники общества клялись им Господом Богом Израилевым. За это все общество Израилево возроптало на начальников.
19maar al de overheden gaven heel de gemeenschap ten antwoord: We hebben het hun zelf bij Jahweh, Israëls God, onder ede beloofd, en kunnen hun dus geen kwaad doen.
19Все начальники сказали всему обществу: мы клялись им Господом Богом Израилевым и потому не можем коснуться их;
20Dit moeten we doen: We moeten ze sparen, opdat de toorn niet over ons losbreekt om de eed, die we hun hebben gezworen.
20а вот что сделаем с ними: оставим их в живых, чтобы не постиг нас гнев за клятву, которою мы клялись им.
21Daarom bepaalden de overheden te hunnen opzichte, dat ze gespaard zouden blijven, maar dat ze volgens het voorschrift der overheden hout moesten hakken en water putten voor het hele volk.
21И сказали им начальники: пусть они живут, но будут рубить дрова и черпать воду для всего общества. И сделало все общество так, как сказали им начальники.
22Josuë ontbood hen dus, en sprak tot hen: Waarom hebt ge ons bedrogen door te zeggen: “We wonen heel ver van u af,” terwijl ge toch vlak bij ons woont?
22Иисус призвал их и сказал: для чего вы обманули нас, сказав: “мы весьма далеко от вас”, тогда как вы живете близ нас?
23Weest daarom vervloekt! Steeds zullen er van u als slaven hout moeten hakken en water putten voor het huis van mijn God.
23за это прокляты вы! без конца вы будете рабами, будете рубить дрова и черпать воду для меня и для дома Бога моего!
24Ze gaven Josuë ten antwoord: Het was aan uw dienaren heel goed bekend, dat Jahweh, uw God, aan zijn dienaar Moses gezegd had, dat Hij u het hele land geven zou, en al zijn bewoners voor u zou verdelgen. Daarom werden we zeer bevreesd, dat ge ons het leven zoudt nemen, en hebben we aldus gehandeld.
24Они в ответ Иисусу сказали: дошло до сведения рабов твоих, что Господь Бог твой повелел Моисею, рабу Своему, дать вам всю землю и погубить нас и всех жителей сей земли пред лицом вашим; посему мы весьма боялись, чтобы вы не лишили нас жизни, и сделали это дело;
25We staan nu te uwer beschikking; doe met ons wat u goed en recht lijkt.
25теперь вот мы в руке твоей: как лучше и справедливее тебе покажется поступить с нами, так и поступи.
26Zo deed Josuë. Hij redde hen uit de handen der Israëlieten, zodat ze hen niet doodden;
26И поступил с ними так: избавил их от руки сынов Израилевых, и они не умертвили их;
27maar Josuë gaf hun die dag tot taak, hout te hakken en water te putten voor heel het volk en voor Jahweh’s altaar op de plaats, welke hij zou uitkiezen. En dat doen ze nu nog.
27и определил в тот день Иисус, чтобы они рубили дрова и черпали воду для всего общества и для жертвенника Господня; посему жители Гаваона сделались дровосеками и водоносами для жертвенника Божия даже до сего дня, на месте, какое ни избрал бы Господь.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.