Jesaja 58
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Galm het uit, en houd u niet in, Laat schallen uw stem als bazuinen; Maak mijn volk zijn misdaden bekend, Het huis van Jakob zijn zonden!
1Kriu per la tuta gorĝo, ne detenu vin, laŭtigu vian voĉon simile al fanfaro, kaj eldiru al Mia popolo ĝian krimon kaj al la domo de Jakob ĝiajn pekojn.
2Zeker, ze zoeken Mij iedere dag, En hunkeren er naar, mijn wegen te kennen: Als waren ze een volk, dat gerechtigheid oefent, En de wet van zijn God niet verzaakt. Zelfs durven ze Mij rechtvaardige oordelen vragen, En naar de Komst van God verlangen;
2Min ili ĉiutage serĉas, kaj ili deziras ekkoni Miajn vojojn; kiel popolo, kiu faras bonon kaj ne forlasis la leĝon de sia Dio, ili postulas de Mi justan juĝon, deziras proksimecon de Dio:
3“Waarom ziet Gij niet, dat wij vasten; Weet Gij niet, dat we ons vernederen!” Ziet, op uw vastendag zoekt gij uw voordeel, En beult gij al uw arbeiders af.
3Kial ni fastas, kaj Vi ne vidas? turmentas nian animon, kaj Vi ne scias? Sed jen en la tago de via fastado vi plenumas viajn dezirojn, kaj ĉiujn viajn laborantojn vi premas per postuloj.
4Ziet, gij vast onder kijven en twisten, En slaat er ruw met de vuisten op in. Neen, zoals ge nù vast, Zal uw stem in de hoge niet worden gehoord!
4Jen vi fastas por kverelo kaj malpaco, kaj por bati per malpia pugno; kiel nun, vi ne fastas tiel, ke en la alteco estu aŭdata via voĉo.
5Is dit soms een vasten, die Mij aangenaam is, Een dag, waarop de mens zich vernedert? Zijn hoofd laten hangen als een riet, In zak en as gaan liggen: Noemt ge dat soms vasten, Dat soms een dag, die Jahweh behaagt?
5Ĉu tia estas fasto, kiu plaĉas al Mi, kiam homo turmentas sian animon, klinas sian kapon kiel kanon, kaj sternas sub si sakaĵon kaj cindron? ĉu tion vi nomas fasto kaj tago plaĉanta al la Eternulo?
6Is dit niet een vasten, Zoals Ik het wil; Is de godsspraak van Jahweh, den Heer: Zondige boeien slaken, Knellende banden ontbinden; Verdrukten de vrijheid geven, Ieder juk verbreken?
6Ja nur tio estas fasto, kiu plaĉas al Mi, se vi disŝiros la ligilojn de malpieco, disbatos la katenojn de sklaveco, liberigos la prematojn, disbatos ĉian jugon;
7Is dat niet een vasten: Den hongerige uw brood reiken, Arme zwervers in huis opnemen; Den naakte kleden, dien gij ziet, Uw eigen broeder niet verstoten?
7se vi derompos vian panon por malsatulo kaj senhejmajn malriĉulojn enkondukos en vian domon; se, vidante nudulon, vi lin vestos, kaj antaŭ viaj samkarnuloj vi vin ne kaŝos.
8Dan eerst zal uw licht als de dageraad gloren, En uw wonde spoedig genezen, Uw gerechtigheid voor u uitgaan, De glorie van Jahweh u volgen;
8Tiam via lumo ekbrilos kiel matenruĝo, kaj via saniĝo rapide progresos; via virto iros antaŭ vi; la gloro de la Eternulo gardos vin malantaŭe.
9Dan eerst zal Jahweh u verhoren, Als ge Hem aanroept; En als ge om hulp smeekt, U zeggen: Hier ben Ik: Wanneer ge niemand knecht in uw midden, Met de vinger nawijst, of kwaad van hem spreekt;
9Tiam vi vokos, kaj la Eternulo respondos; vi krios, kaj Li diros: Jen Mi estas! Se vi forigos el inter vi premadon, montradon per fingro, kaj paroladon malbonan,
10Wanneer ge uw hart voor den hongerige opent, En den versmachtende verzadigt! Dan zal uw licht in de duisternis stralen, Uw nacht zal zijn als klaarlichte dag;
10kaj malfermos antaŭ malsatulo vian koron, kaj satigos suferantan animon, tiam via lumo brilos en mallumo kaj via krepusko estos kiel tagmezo;
11Dan zal Jahweh u steeds blijven leiden, Uw ziel overstromen met heldere glans. Hij zal kracht aan uw gebeente geven, Als een welbesproeide tuin zult ge zijn, Als een borrelende bron, Waarvan het water nooit opdroogt.
11kaj la Eternulo kondukos vin ĉiam kaj satigos vian animon en tempo de senpluveco, kaj Li fortikigos viajn ostojn; kaj vi estas kiel ĝardeno akvumata, kaj kiel akva fonto, kies akvo ne mankas.
12Dan bouwt ge uw oude ruïnen weer op, Herstelt de grondslagen der vroegere geslachten; Dan zal men u noemen: Hersteller van bressen, Herbouwer van puinen!
12Kaj oni rekonstruos ĉe vi la antikvajn ruinojn; la fundamentojn de antaŭ multaj generacioj vi restarigos; kaj oni nomos vin riparanto de breĉoj, reboniganto de vojoj por loĝado.
13Wanneer ge de sabbat niet schendt, Uw voordeel niet zoekt op mijn heilige dag; Maar de sabbat uw lust noemt, Jahweh’s heilige dag eerbiedwaardig; Wanneer ge hem hoog houdt, Door uw bezigheden niet te verrichten, Geen zaken te doen, Geen overeenkomst te sluiten;
13Se vi retenos vian piedon en sabato, por ke vi ne plenumu viajn dezirojn en Mia sankta tago; kaj vi nomos sabaton plezuro, la sanktigitan tagon de la Eternulo vi nomos honorata; kaj vi honoros ĝin per nefarado de viaj ordinaraj aferoj, per neplenumado de viaj deziroj, kaj per neparolado de vantaĵoj:
14Dan zult ge u in Jahweh verheugen: In zegetocht voer Ik u over de toppen der aarde, En laat u het erfdeel van Jakob, uw vader, genieten! Waarachtig! De mond van Jahweh heeft het gezegd!
14tiam vi ĝuos per la Eternulo, kaj Mi sidigos vin sur la altaĵoj de la tero, kaj Mi nutros vin per la heredaĵo de via patro Jakob; ĉar tion diras la buŝo de la Eternulo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.