Jesaja 47
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Kom af, zet u neer in het stof, Gij jonkvrouw, dochter van Babel; Zit neer op de grond, zonder troon, Gij dochter van de Chaldeën; Want niet langer zal men u noemen Verwend en vertroeteld.
1Iru malsupren kaj sidiĝu sur polvo, ho virgulino filino de Babel; sidiĝu sur la tero, sentronigita filino de la Ĥaldeoj; ĉar oni ne plu nomos vin delikata kaj dorlotata.
2Ga de handmolen halen, om meel te malen, Doe uw sluier af, uw sleep omhoog; Ontbloot uw benen, Om door stromen te waden,
2Prenu manan muelilon kaj muelu farunon; forigu vian vualon, levu vian vestrandon, malkovru vian kruron, transiru riverojn.
3Naakt zij uw schaamte, Uw schande te pronk! Wraak zal Ik nemen, onverbiddelijk, spreekt onze Redder,
3Malkovriĝos via nudaĵo, kaj montriĝos via honto. Mi faros venĝon, kaj Mi neniun indulgos.
4Israëls Heilige, Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
4Nia Liberiganto — Lia nomo estas Eternulo Cebaot, Sanktulo de Izrael.
5Houd u maar stil, en ga in de duisternis zitten, Dochter van de Chaldeën; Want nooit meer zal men u noemen De souverein van koninkrijken!
5Sidu silente kaj iru en mallumon, ho filino de la Ĥaldeoj, ĉar oni ne plu nomos vin estrino de regnoj.
6Omdat Ik op mijn volk was vergramd, Heb Ik mijn erfdeel ontwijd, in uw handen geleverd. Maar gij hebt hun geen medelijden getoond, Zelfs op grijsaards zwaar uw juk laten drukken.
6Kiam Mi koleris Mian popolon, malhonoris Mian heredaĵon, kaj transdonis ilin en viajn manojn, vi ne montris al ili kompaton, sur maljunulon vi metis tre peze vian jugon;
7Gij hebt gezegd: Souverein zal ik zijn voor altijd en eeuwig, Uw einde kwam niet eens bij u op, gij dacht er niet aan.
7vi diris: Eterne mi estos estrino; vi ne prenis tion al via koro, ne pensis pri la sekvoj.
8Hoor dan, wellustige, Die zorgeloos neerzit; Die denkt bij uzelf: Dat ben ik, en geen ander; Nooit blijf ik als weduwe zitten, Nooit zal ik zonder kinderen zijn.
8Aŭskultu do nun, ho voluptulino, kiu sidas senzorge, kiu diras en sia koro: Mi estas, kaj ne ekzistas alia krom mi; mi ne fariĝos vidvino, kaj mi ne konos perdon de infanoj.
9Maar juist deze twee rampen zullen u treffen, Plotseling, op één enkele dag; Kinderloosheid en weduwschap Zullen in al haar zwaarte op u vallen: Ondanks uw talloze toverkunsten, En de grote macht van uw bezweerders.
9Venos do sur vin tiuj du aferoj subite, en unu tago; seninfaneco kaj vidvineco en plena mezuro trafos vin, malgraŭ viaj multaj sorĉoj, malgraŭ la granda forto de viaj magiaĵoj.
10Ge hebt op uw boosheid vertrouwd, En gezegd: Niemand doorziet mij. Uw wijsheid en kunde Hebben u op een dwaalspoor gebracht; Zodat ge dacht bij uzelf: Dat ben ik, en geen ander!
10Vi sentis vin sendanĝera en via malboneco; vi diris: Neniu min vidas; via saĝeco kaj via scio estis viaj delogantoj; kaj vi diris en via koro: Mi estas, kaj ne ekzistas alia krom mi.
11Maar een onheil zal over u komen, Dat ge niet weet weg te toveren; Een ramp op u vallen, Die ge niet kunt bezweren; Plotseling een vernieling u treffen, Geheel onverwacht!
11Tial venos sur vin malbono, kies komencon vi ne scios, kaj falos sur vin malfeliĉo, el kiu vi ne povos vin elaĉeti, kaj surprizos vin pereo, kiun vi ne antaŭvidis.
12Houd maar vol met uw bezweringen En met uw talloze toverkunsten, Waarmee ge u hebt afgesloofd Van uw prilste jeugd. Misschien nog kunt ge er baat bij vinden, Of jaagt ge er anderen schrik mee aan.
12Restu do ĉe viaj magiaĵoj, kaj ĉe viaj multaj sorĉoj, super kiuj vi laboris de via juneco; eble vi povos profiti, eble vi fortiĝos.
13Ge hebt u vermoeid met uw vele beraders, Laat ze nu opstaan; Laat ze u redden, de hemelbezweerders, En sterrenkijkers, Die u elke maand laten weten, Wat er voor u zal gebeuren.
13Vi laciĝis de la multo de viaj konsiliĝoj; nun ili stariĝu, la mezurantoj de la ĉielo, la esplorantoj de la steloj, la antaŭdiristoj laŭ la luno, kaj ili savu vin kontraŭ tio, kio trafos vin.
14Zie, ze worden als kaf, Dat het vuur zal verbranden; Ze kunnen zichzelf niet redden Uit de greep van de vlammen. Neen, ‘t is geen vuur, om zich te warmen, Geen haard, om er voor te gaan zitten.
14Jen, ili fariĝos kiel pajlo; la fajro forbruligos ilin; ili ne savos sian animon el la forto de la flamo; ne estos ia karbo, ĉe kiu sin varmigi, nek fajro, antaŭ kiu sidi.
15Dat hebt ge nu van uw bezweerders, En van uw tovenaars, zonder tal, Waarmee ge u hebt afgesloofd Van uw prilste jeugd: Ze stuiven langs alle kanten uiteen, Niet één, die u redt!
15Tiaj fariĝis por vi tiuj, kun kiuj vi multe penis, kun kiuj vi interrilatis de via juneco; ĉiu forvagis siaflanken, neniu vin savos.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.