Hosea 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De bazuin aan uw mond: Er zweeft een gier boven de woning van Jahweh! Want ze hebben mijn verbond overtreden, Gezondigd tegen mijn wet.
1[In gutture tuo sit tuba quasi aquila super domum Domini, pro eo quod transgressi sunt fœdus meum, et legem meam prævaricati sunt.
2Nu roepen ze tot Mij: Mijn God! Maar Wij kennen u, Israël!
2Me invocabunt: Deus meus, cognovimus te Israël.
3Israël heeft het heil verstoten, De vijand zal het vervolgen.
3Projecit Israël bonum: inimicus persequetur eum.
4Ze hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om, Vorsten gekozen, maar buiten mijn weten; Van hun zilver en goud hebben ze goden gemaakt, Tot hun eigen verderf.
4Ipsi regnaverunt, et non ex me; principes exstiterunt, et non cognovi: argentum suum et aurum suum fecerunt sibi idola, ut interirent.
5Samaria, Ik stoot uw kalf van Mij weg: Hoelang is er mijn toorn al tegen ontbrand? Reinigen kan men het niet,
5Projectus est vitulus tuus, Samaria; iratus est furor meus in eos. Usquequo non poterunt emundari?
6Want het is Israëls gewrocht! Een werkman heeft het gemaakt, Het is geen God! Ja, in splinters zal het vallen, Het kalf van Samaria!
6Quia ex Israël et ipse est: artifex fecit illum, et non est deus; quoniam in aranearum telas erit vitulus Samariæ.
7Want ze zaaien wind, en oogsten storm: Een oogst zonder aren, koren zonder meel; En brengt het iets op, dan eten het vreemden:
7Quia ventum seminabunt, et turbinem metent: culmus stans non est in eo; germen non faciet farinam: quod etsi fecerit, alieni comedent eam.
8Verslonden wordt Israël! Nu zijn ze onder de volken als een waardeloze pot,
8Devoratus est Israël; nunc factus est in nationibus quasi vas immundum.
9Omdat ze naar Assjoer zijn gegaan. Een wilde ezel zondert zich af, Doch Efraïm geeft zich aan zijn minnaars.
9Quia ipsi ascenderunt ad Assur, onager solitarius sibi; Ephraim munera dederunt amatoribus.
10Maar al verstrooien ze zich onder de volken, Ik houd ze bijeen: Opdat ze eerst een tijd nog zuchten Onder de druk van hun koning en vorsten.
10Sed et cum mercede conduxerint nationes, nunc congregabo eos, et quiescent paulisper ab onere regis et principum.
11Ja, Efraïm heeft vele altaren gebouwd, Maar die altaren dienden hem enkel tot zonde;
11Quia multiplicavit Ephraim altaria ad peccandum; factæ sunt ei aræ in delictum.
12Al schrijf Ik hem nog zoveel wetten voor, Ze gelden hem niets.
12Scribam ei multiplices leges meas, quæ velut alienæ computatæ sunt.
13Al brengen ze talloze offers, Al slachten ze nog zoveel vlees En eten daarvan: Ze behagen Jahweh niet meer! Thans zal Hij hun misdaad gedenken, En hun zonde bestraffen: Naar Egypte moeten ze terug, In Assjoer onreine spijzen eten.
13Hostias offerent, immolabunt carnes et comedent, et Dominus non suscipiet eas: nunc recordabitur iniquitatis eorum, et visitabit peccata eorum: ipsi in Ægyptum convertentur.
14Israël heeft zijn Schepper vergeten en tempels gebouwd, Juda tal van versterkte steden gegrond: Maar Ik slinger een vuur in hun steden, Dat haar gebouwen verteert!
14Et oblitus est Israël factoris sui, et ædificavit delubra; et Judas multiplicavit urbes munitas; et mittam ignem in civitates ejus, et devorabit ædes illius.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.