Hosea 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
1Uw broeder zal men noemen: “Mijn volk”; Uw zuster: “Ontferming”!
1你們要稱你們的弟兄為 阿米 ,稱你們的姊妹為 路哈瑪 。
2Klaagt uw moeder aan, Klaagt haar aan, Omdat zij mijn vrouw niet meer is, Ik haar man niet meer ben. Laat ze haar ontucht weg doen van haar gelaat, En haar overspel tussen haar borsten.
2你們要與你們的母親大大爭辯; 因為她不是我的妻子, 我也不是她的丈夫。 叫她除掉臉上的淫像 和胸間的淫態,
3Anders kleed Ik haar uit, helemaal naakt, En laat haar, zoals ze geboren werd; Ik maak van haar een woestijn, een uitgedroogd land, En laat ze sterven van dorst.
3免得我剝她的衣服, 使她赤體,與才生的時候一樣, 使她如曠野,如乾旱之地, 因渴而死。
4Ook over haar kinderen ontferm Ik Mij niet; Want het zijn kinderen uit ontucht.
4我必不憐憫她的兒女, 因為他們是從淫亂而生的。
5Want hun moeder heeft ontucht bedreven, Die hen baarde, heeft zich met schande bedekt; Ze sprak: Ik loop mijn minnaars achterna, Die mij brood en water verschaffen, Mijn wol en mijn vlas, Mijn olie en dranken.
5他們的母親行了淫亂, 懷他們的 母 做了可羞恥的事, 因為她說:我要隨從所愛的; 我的餅、水、羊毛、麻、油、酒 都是他們給的。
6Daarom zal Ik haar paden met doornen omheinen, Met muren versperren, zodat ze haar weg niet meer vindt.
6因此,我必用荊棘堵塞她的道, 築牆擋住她, 使她找不着路。
7Loopt ze haar minnaars nog na, dan bereikt zij ze niet, Zoekt zij ze nog, dan vindt zij ze niet. Dan zal ze zeggen: Ik keer terug naar mijn vroegeren man Want toen had ik het beter dan nu.
7她必追隨所愛的,卻追不上; 她必尋找他們,卻尋不見, 便說:我要歸回前夫, 因我那時的光景比如今還好。
8Zij heeft niet willen erkennen, dat Ik het was, Die haar koren, wijn en olie verschafte, Dat Ik haar zilver in overvloed schonk, En goud, waar zij Báals van maakte;
8她不知道是我給她五穀、新酒,和油, 又加增她的金銀; 她卻以此供奉 巴力 。
9Daarom zal Ik haar bij de oogst mijn koren ontnemen, De wijn als de tijd ervoor aanbreekt.
9因此到了收割的日子, 出酒的時候, 我必將我的五穀、新酒收回, 也必將她應當遮體的羊毛和麻奪回來。
10Ik zal haar mijn wol en mijn vlas onthouden, Die haar naaktheid moeten bedekken; Voor haar minnaars haar schaamte ontbloten, Niemand zal ze uit mijn hand kunnen redden.
10如今我必在她所愛的眼前顯露她的醜態; 必無人能救她脫離我的手。
11Dan maak Ik een einde aan al haar vreugd, Haar hoogtij, nieuwemaan, haar sabbat en feesten!
11我也必使她的宴樂、節期、月朔、安息日, 並她的一切大會都止息了。
12Ik zal haar wijnstok vernielen, En haar vijg, waarvan ze gezegd heeft: Dit zijn de geschenken, Die mijn minnaars mij gaven; Ik zal er woeste struiken van maken, En de wilde dieren vreten ze kaal.
12我也必毀壞她的葡萄樹和無花果樹, 就是她說「這是我所愛的給我為賞賜」的。 我必使這些樹變為荒林, 為田野的走獸所吃。
13Ik zal haar de dagen der Báals doen boeten, Waarop zij offers aan hen heeft gebracht, En zich tooide met ringen en snoeren; Waarop zij haar minnaars achterna is gelopen, Maar Mij heeft vergeten: Is de godsspraak van Jahweh!
13我必追討她素日給諸 巴力 燒香的罪; 那時她佩帶耳環和別樣妝飾, 隨從她所愛的,卻忘記我。 這是耶和華說的。
14Zie, daarom zal ook Ik haar lokken, Haar brengen in de woestijn, en spreken tot haar hart.
14後來我必勸導她,領她到曠野, 對她說安慰的話。
15Dan geef Ik ze haar wijngaarden terug, Het Akordal als poort der hoop.
15她從那裏出來,我必賜她葡萄園, 又賜她 亞割谷 作為指望的門。 她必在那裏應聲, 與幼年的日子一樣, 與從 埃及 地上來的時候相同。
16Dan zal ze weer jubelen als op de dag van haar jeugd, Toen ze optrok uit het land van Egypte. Op die dag zal het zijn, Is de godsspraak van Jahweh, Dat ze Mij zal noemen: “mijn man”, En niet meer “mijn báal”!
16耶和華說:「那日你必稱呼我伊施,不再稱呼我 巴力 ;
17Want Ik zal de namen der Báals uit haar mond doen verdwijnen, Zodat ze nooit meer worden genoemd.
17因為我必從我民的口中除掉諸 巴力 的名號,這名號不再提起。
18Op die dag sluit Ik voor haar een verbond Met de beesten op het veld, Met de vogels in de lucht, En met de kruipende dieren op aarde. Boog, zwaard en krijgsmacht zal Ik uit het land verwijderen, En zorgen, dat men er veilig kan rusten.
18當那日,我必為我的民,與田野的走獸和空中的飛鳥,並地上的昆蟲立約;又必在國中折斷弓刀,止息爭戰,使他們安然躺臥。
19Ik zal Mij verloven met u, Verloven voor eeuwig: Naar recht en naar wet, In goedheid en liefde;
19我必聘你永遠歸我為妻,以仁義、公平、慈愛、憐憫聘你歸我;
20Mij verloven met u in onwrikbare trouw, En gij zult Jahweh leren kennen!
20也以誠實聘你歸我,你就必認識 我 -耶和華。
21Op die dag zal Ik mijn gunsten verlenen, Is de godsspraak van Jahweh! Ik zal goedgunstig zijn voor de hemel En die zal het zijn voor de aarde;
21耶和華說:那日我必應允, 我必應允天,天必應允地;
22De aarde weer voor het koren, de wijn en de olie, En zij weer goedgunstig voor Jizreël!
22地必應允五穀、新酒,和油, 這些必應允 耶斯列 民 。
23Ik zal haar weer zaaien in het land: Mij weer ontfermen Over “Zonder ontferming”; Spreken tot “Niet langer mijn volk”: Ge zijt weer mijn volk; En hij zal zeggen: Mijn God!
23我必將她種在這地。 素不蒙憐憫的,我必憐憫; 本非我民的,我必對他說: 你是我的民; 他必說: 你是 我的上帝。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.