Ezra
Chapter 9
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Zodra men hiermede gereed was, kwamen de leiders naar mij toe, en zeiden: Het volk van Israël, zelfs de priesters en levieten hebben zich niet afgezonderd gehouden van de landsbevolking en van de gruwelen der Kanaänieten, Chittieten, Perizzieten, Jeboesieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten.
1これらのことが終わると、君たちが私に近づいて来て言った。「イスラエルの民、祭司たち、レビ人たちは、その地の諸国の民から身を分けず、カナン人、ヒッタイト人、ペリジ人、エブス人、アンモン人、モアブ人、エジプト人、アモリ人の忌まわしい行いにならっています。
2Want zij hebben uit hun dochters vrouwen genomen voor zich en hun zonen; het heilig geslacht heeft zich vermengd met de landsbevolking, en de leiders en oversten hebben het slechte voorbeeld gegeven.
2彼らは自分たちや息子たちの妻として、その民の娘たちを迎えました。そのため聖なる子孫が、その地の諸国の民と混じり合っています。しかも、君たちや支配者たちが真っ先にこの背信に手を染めています。」
3Toen ik dat hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel, rukte de haren uit hoofd en baard, en ontsteld zat ik neer.
3私はこのことを聞くと、自分の衣と上着を引き裂き、頭の毛とひげをむしり、がく然として座り込んだ。
4Allen, die om de bedreiging van Israëls God rilden van angst over de misdaad der ballingen, schaarden zich om mij heen. Zo bleef ik zitten tot aan het avondoffer, helemaal terneer geslagen.
4すると、捕囚から帰った者たちの背信のゆえに、イスラエルの神のことばに震えるすべての者が私のもとに集まった。私は夕方のささげ物の時まで、がく然として座っていた。
5Maar toen het avondoffer werd opgedragen, stond ik uit mijn vernedering op, kleed en mantel gescheurd; ik viel op de knieën, strekte de handen uit naar Jahweh, mijn God,
5夕方のささげ物の時、私は衣と上着を引き裂いたまま、打ちひしがれた姿で立ち上がった。そしてひざまずき、私の神、主に向かって両手を広げた。
6en sprak: Mijn God, ik ben te beschaamd en verlegen, om mijn gelaat naar U op te heffen, mijn God! Want onze misdaden zijn ons boven het hoofd gewassen, en onze zonde reikt tot de hemel.
6そして言った。「私の神よ。私は恥じ、顔を赤らめ、あなたに向かって顔を上げることもできない。私たちの不義は頭を越えて積み重なり、罪責は天にまで達した。
7Van de dagen onzer vaderen af tot op deze dag toe gaan wij diep onder zonde gebukt; om onze misdaden zijn wij, met onze vorsten en priesters, aan de koningen der landen overgeleverd, aan zwaard en gevangenschap, aan plundering en schande, zoals op de dag van vandaag.
7父祖たちの時代から今日に至るまで、私たちは大きな罪責を負ってきた。私たちの不義のゆえに、私たちも、王たちも、祭司たちも、今日見るとおり、諸国の王たちの手に渡され、剣にかけられ、捕囚となり、略奪され、辱めを受けた。
8En nu heeft Jahweh, onze God, ons een ogenblik zijn barmhartigheid getoond, ons een overschot gelaten, en ons in zijn heilige plaats een toevlucht verleend, om onze ogen te doen stralen, en ons een weinig verademing in onze slavernij te schenken.
8しかし今、ほんのしばらくの間、私たちの神、主から恵みが示された。逃れた者を残し、その聖所に私たちのための一本の杭を与え、私たちの目を明るくし、奴隷の身にある私たちにわずかな生気を与えるためであった。
9Want al blijven wij knechten, toch heeft onze God ons in onze slavernij niet verlaten. Hij heeft ons genade doen vinden bij de koningen van Perzië, zodat zij ons in staat wilden stellen, het huis van onzen God te herbouwen en zijn puinen op te richten, en ons vestingwallen hebben geschonken in Juda en Jerusalem.
9私たちは奴隷である。それでも神は、奴隷の身にある私たちを捨てず、ペルシアの王たちの前で慈しみを示してくださった。私たちに生気を与え、私たちの神の家を建て、その廃墟を修復させ、ユダとエルサレムに城壁を与えてくださった。
10Onze God: wat zullen wij verder nu zeggen? Want wij hebben uw geboden verzaakt,
10今、私たちの神よ、この後、何と言えよう。私たちはあなたの命令を捨てた。
11die Gij door de profeten, uw dienaars, hebt afgekondigd. Zij hebben gezegd: Het land, dat gij in bezit gaat nemen, is een land, bezoedeld door de liederlijkheid der landsbevolking en door de gruwelen, waarmee zij het van het ene einde tot het andere in haar onreinheid heeft verpest.
11あなたは、しもべである預言者たちを通して、こう命じられた。『あなたがたが所有しようとして入って行く地は、諸国の民の汚れによって汚れた地である。彼らは忌まわしい行いによって、その地を端から端まで汚物で満たした。
12Geeft dus uw dochters niet aan hun zonen, neemt hun meisjes niet voor uw jongens, en zoekt nimmer hun vriendschap of gunst. Dan wordt gij sterk, en zult gij het goede van het land mogen eten, en het voor altijd aan uw kinderen kunnen vermaken.
12それゆえ、あなたがたの娘を彼らの息子に与えてはならない。彼らの娘をあなたがたの息子の妻に迎えてはならない。また彼らの平安や繁栄を、いつまでも求めてはならない。それは、あなたがたが強くなり、その地の良いものを食べ、それを永遠の相続地として子どもたちに残すためである。』
13En zouden wij, na wat ons is overkomen om onze ongerechtigheid en grote schuld, en nu Gij, onze God, ons gespaard hebt, meer dan onze zonden verdienen, en ons deze rest hebt gelaten:
13私たちの悪い行いと大きな罪責のために、これらすべてのことが私たちに臨んだ。それでも私たちの神であるあなたは、私たちの不義に値するよりも軽く罰し、このように逃れた者たちを残してくださった。
14zouden wij nu opnieuw uw geboden verbreken en ons met deze schandelijke volken verbinden? Zoudt Gij dan niet zó vergramd op ons worden, dat Gij ons uitroeit zonder overschot of rest?
14それなのに、私たちは再びあなたの命令を破り、このような忌まわしい行いをする民と縁を結ぶのか。あなたは怒り、残る者も逃れる者もなくなるまで、私たちを滅ぼし尽くされるのではないか。
15Jahweh, God van Israël, Gij zijt rechtvaardig! Ja, thans zijn wij er nog als een rest. Maar hier staan wij voor U met onze zonde; neen, zó houden wij geen stand voor uw aanschijn!
15イスラエルの神、主よ、あなたは正しい方である。今日このように、私たちは逃れた残りの者として生きている。見よ、私たちは罪責を負って御前にいる。このため、だれ一人として御前に立つことはできない。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.