Prediker
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.
1LE mosche morte fanno putire, e ribollir l'olio odorifero del profumiere; così un poco di stoltizia guasta il pregio della sapienza e della gloria.
2Het hart van den wijze zit rechts, Het hart van den dwaze zit links.
2L'uomo savio ha il suo cuore alla sua destra, e lo stolto l'ha alla sua sinistra.
3Welke weg de dwaas ook gaat, zijn verstand schiet te kort; Maar van iedereen zegt hij: Wat een dwaas!
3Lo stolto, eziandio mentre egli cammina per la via, è scemo di senno, e dice a tutti ch'egli è stolto.
4Als de toorn van een vorst u bedreigt, Loop dan niet weg van uw post; Want kalmte brengt grote opwinding tot bedaren.
4Se il principe monta in ira contro a te, non lasciar però il tuo luogo; perciocchè la dolcezza fa perdonar di gran peccati.
5Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.
5Vi è un male che io ho veduto sotto il sole, simile all'errore che procede dal principe.
6De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;
6Cioè: che la stoltizia è posta in grandi altezze, ed i ricchi seggono in luoghi bassi.
7Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.
7Io ho veduti i servi a cavallo, ed i ricchi camminare a piè come servi.
8Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten.
8Chi cava la fossa caderà in essa; e chi rompe la chiusura il serpente lo morderà.
9Wie stenen draagt, bezeert zich er aan; Wie hout klooft, loopt gevaar, zich te wonden.
9Chi rimuove le pietre ne sarà offeso; chi spezza delle legne ne sarà in pericolo.
10Is het ijzer stomp geworden, En slijpt men de snede niet, Dan moet men zijn krachten verdubbelen; Zo biedt de wijsheid een voordeel.
10Se il ferro è rintuzzato, e non se ne arrota il taglio, bisogna raddoppiar la forza; ma la sapienza è cosa eccellente, per addirizzar le cose .
11En als de slang bijt, omdat ze niet wordt bezworen, Heeft de slangenbezweerder geen nut van zijn kunde.
11Se il serpente morde, non essendo incantato, niente meglio vale il maldicente.
12Aangenaam zijn woorden uit de mond van een wijze; Maar de lippen van een dwaas brengen hem verderf.
12Le parole della bocca del savio non sono altro che grazia; ma le labbra dello stolto lo distruggono.
13Reeds het begin van zijn woorden is dwaasheid, En het einde ervan barre onzin;
13Il principio delle parole della sua bocca è stoltizia, ed il fine del suo parlare è mala pazzia.
14Want de dwaas verspilt vele woorden. Niemand weet, wat de toekomst brengt; Want wie kan hem zeggen, wat er later komt?
14Benchè lo stolto moltiplichi le parole, l'uomo pur non sa ciò che ha da essere; e chi gli dichiarerà ciò che sarà dopo lui?
15De domme slooft zich af bij zijn werk, Omdat hij niet eens de weg naar de stad kent.
15La fatica degli stolti li stanca; perciocchè non sanno la via per andare alla città.
16Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen.
16Guai a te, o paese, il cui re è fanciullo, ed i cui principi mangiano fin dal la mattina!
17Heil u, land, als uw koning een edelman is, En uw prinsen op tijd maaltijd houden, Stevig, maar zonder zich te bedrinken.
17Beato te, o paese, il cui re è di legnaggio nobile, ed i cui principi mangiano a tempo convenevole, per ristoro, e non per ebbrezza!
18Bij luiheid verzakken de balken, En het huis wordt lek door traagheid van handen.
18Per la pigrizia di ambe le mani il solaio scade, e per le mani spenzolate gocciola in casa.
19Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.
19I conviti si fanno per gioire, e il vino rallegra i viventi; ed i danari rispondono a tutto.
20Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.
20Non dir male del re, non pur nel tuo pensiero; e non dir male del ricco nella camera dove tu giaci; perciocchè alcun uccello del cielo potrebbe portar ne la voce, ed alcun animale alato rapportar ne le parole.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.