Prediker 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.
1Schädliche Fliegen verderben gute Salben; also wiegt ein wenig Torheit schwerer denn Weisheit und Ehre.
2Het hart van den wijze zit rechts, Het hart van den dwaze zit links.
2Des Weisen Herz ist zu seiner Rechten; aber des Narren Herz ist zu seiner Linken.
3Welke weg de dwaas ook gaat, zijn verstand schiet te kort; Maar van iedereen zegt hij: Wat een dwaas!
3Auch ob der Narr selbst närrisch ist in seinem Tun, doch hält er jedermann für einen Narren.
4Als de toorn van een vorst u bedreigt, Loop dan niet weg van uw post; Want kalmte brengt grote opwinding tot bedaren.
4Wenn eines Gewaltigen Zorn wider dich ergeht, so laß dich nicht entrüsten; denn Nachlassen stillt großes Unglück.
5Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.
5Es ist ein Unglück, das ich sah unter der Sonne, gleich einem Versehen, das vom Gewaltigen ausgeht:
6De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;
6daß ein Narr sitzt in großer Würde, und die Reichen in Niedrigkeit sitzen.
7Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.
7Ich sah Knechte auf Rossen, und Fürsten zu Fuß gehen wie Knechte.
8Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten.
8Aber wer eine Grube macht, der wird selbst hineinfallen; und wer den Zaun zerreißt, den wird eine Schlange stechen.
9Wie stenen draagt, bezeert zich er aan; Wie hout klooft, loopt gevaar, zich te wonden.
9Wer Steine wegwälzt, der wird Mühe damit haben; und wer Holz spaltet, der wird davon verletzt werden.
10Is het ijzer stomp geworden, En slijpt men de snede niet, Dan moet men zijn krachten verdubbelen; Zo biedt de wijsheid een voordeel.
10Wenn ein Eisen stumpf wird und an der Schneide ungeschliffen bleibt, muß man's mit Macht wieder schärfen; also folgt auch Weisheit dem Fleiß.
11En als de slang bijt, omdat ze niet wordt bezworen, Heeft de slangenbezweerder geen nut van zijn kunde.
11Ein Schwätzer ist nichts Besseres als eine Schlange, die ohne Beschwörung sticht.
12Aangenaam zijn woorden uit de mond van een wijze; Maar de lippen van een dwaas brengen hem verderf.
12Die Worte aus dem Mund eines Weisen sind holdselig; aber des Narren Lippen verschlingen ihn selbst.
13Reeds het begin van zijn woorden is dwaasheid, En het einde ervan barre onzin;
13Der Anfang seiner Worte ist Narrheit, und das Ende ist schädliche Torheit.
14Want de dwaas verspilt vele woorden. Niemand weet, wat de toekomst brengt; Want wie kan hem zeggen, wat er later komt?
14Ein Narr macht viele Worte; aber der Mensch weiß nicht, was gewesen ist, und wer will ihm sagen, was nach ihm werden wird?
15De domme slooft zich af bij zijn werk, Omdat hij niet eens de weg naar de stad kent.
15Die Arbeit der Narren wird ihnen sauer, weil sie nicht wissen in die Stadt zu gehen.
16Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen.
16Weh dir, Land, dessen König ein Kind ist, und dessen Fürsten in der Frühe speisen!
17Heil u, land, als uw koning een edelman is, En uw prinsen op tijd maaltijd houden, Stevig, maar zonder zich te bedrinken.
17Wohl dir, Land, dessen König edel ist, und dessen Fürsten zu rechter Zeit speisen, zur Stärke und nicht zur Lust!
18Bij luiheid verzakken de balken, En het huis wordt lek door traagheid van handen.
18Denn durch Faulheit sinken die Balken, und durch lässige Hände wird das Haus triefend.
19Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.
19Das macht, sie halten Mahlzeiten, um zu lachen, und der Wein muß die Lebendigen erfreuen, und das Geld muß ihnen alles zuwege bringen.
20Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.
20Fluche dem König nicht in deinem Herzen und fluche dem Reichen nicht in deiner Schlafkammer; denn die Vögel des Himmels führen die Stimme fort, und die Fittiche haben, sagen's weiter.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.