Amos 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nog dit liet Jahweh mij schouwen. Zie, daar stond een korf met rijpe vruchten.
1Hæc ostendit mihi Dominus Deus: et ecce uncinus pomorum.
2Hij sprak: Wat ziet ge, Amos? Ik gaf ten antwoord: Een korf met rijpe vruchten. Toen sprak Jahweh tot mij: Het eind is gekomen voor Israëls huis; Ik zal het niet langer meer sparen.
2Et dixit: Quid tu vides, Amos? Et dixi: Uncinum pomorum. Et dixit Dominus ad me: [Venit finis super populum meum Israël; non adjiciam ultra ut pertranseam eum.
3De hengsels van de tempel zullen knersen op die dag: is de godsspraak van Jahweh! Ontelbaar zullen de lijken zijn; overal zal stilte heersen!
3Et stridebunt cardines templi in die illa, dicit Dominus Deus: multi morientur; in omni loco projicietur silentium.]
4Hoort dit, gij die den arme vertrapt, Eenvoudige lieden verdrukt;
4[Audite hoc, qui conteritis pauperem, et deficere facitis egenos terræ,
5Die zegt: Wanneer is de nieuwe maan voorbij, Dat we weer koren kunnen verkopen, De sabbat, dat wij de graanschuur openen! Die de maat verkleint, de sikkel verzwaart, De weegschaal vervalst.
5dicentes: Quando transibit mensis, et venundabimus merces? et sabbatum, et aperiemus frumentum, ut imminuamus mensuram, et augeamus siclum, et supponamus stateras dolosas,
6Die de zwakken om een geldschuld koopt, Den arme om een paar schoenen, En zelfs de afval van koren verkwanselt.
6ut possideamus in argento egenos et pauperes pro calceamentis, et quisquilias frumenti vendamus?
7Bij Jakobs Glorie heeft Jahweh gezworen: In eeuwigheid zal Ik geen hunner werken vergeten!
7Juravit Dominus in superbiam Jacob: Si oblitus fuero usque ad finem omnia opera eorum.
8Of zou het land daarvan niet rillen, En wie erop wonen, geen rouw bedrijven; Zou het niet overal als de Nijl in de hoogte rijzen, Wegvallen en zinken als de stroom van Egypte?
8Numquid super isto non commovebitur terra, et lugebit omnis habitator ejus, et ascendet quasi fluvius universus, et ejicicetur, et defluet, quasi rivus Ægypti?
9Op die dag zal het gebeuren, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik de zon doe ondergaan op de middag, En de aarde verduister op klaarlichte dag!
9Et erit in die illa, dicit Dominus Deus: occidet sol in meridie, et tenebrescere faciam terram in die luminis:
10Uw feesten zal Ik in rouw verkeren, Al uw zangen in klagen; Op alle lenden leg Ik een zak, Op alle hoofden een kale kruin. Ik zal rouw verwekken als voor een enigen zoon, En het einde zal zijn als een bittere dag!
10et convertam festivitates vestras in luctum, et omnia cantica vestra in planctum, et inducam super omne dorsum vestrum saccum, et super omne caput calvitium: et ponam eam quasi luctum unigeniti, et novissima ejus quasi diem amarum.
11Zie, de dagen gaan komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat Ik over dit land een honger zal brengen: Geen honger naar brood, Geen dorst naar water, Maar om het woord van Jahweh te horen!
11Ecce dies veniunt, dicet Dominus, et mittam famem in terram: non famem panis, neque sitim aquæ, sed audiendi verbum Domini.
12Dan zal men zwerven van zee tot zee, Doolt men rond van het noorden naar het oosten, Om het woord van Jahweh te horen; Maar men zal het niet vinden!
12Et commovebuntur a mari usque ad mare, et ab aquilone usque ad orientem: circuibunt quærentes verbum Domini, et non invenient.
13Dan zullen de schone maagden, De jonge mannen bezwijken van dorst.
13In die illa deficient virgines pulchræ et adolescentes in siti,
14En zij, die bij de zonde van Samaria zweren, Of zeggen: Dan, bij het leven van uw God; Bersabe, zo waar uw schutspatroon leeft: Ze zullen vallen, nooit staan ze meer op!
14qui jurant in delicto Samariæ, et dicunt: Vivit Deus tuus, Dan, et vivit via Bersabee; et cadent, et non resurgent ultra.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.