2 Samuel 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (Thai)
1Toen dan ook Joab, de zoon van Seroeja, bemerkte, dat het hart van den koning naar Absalom trok,
1โยอาบ บุตรนางเศรุยาห์สังเกตว่ากษัตริย์มีใจคิดถึงอับซาโลม
2liet hij uit Tekóa een vrouw komen, die als zeer schrander bekend stond. Hij zeide tot haar: Ge moet u voordoen, alsof ge in de rouw zijt. Trek rouwkleren aan, en gebruik geen zalfolie, zodat ge eruit ziet als een vrouw, die al jarenlang een dode betreurt.
2โยอาบจึงส่งคนไปเรียกหญิงฉลาดคนหนึ่งจากเทโคอา แล้วบอกนางว่า “จงทำทีเป็นคนไว้ทุกข์ สวมเสื้อผ้าไว้ทุกข์ อย่าชโลมน้ำมัน ทำตัวเหมือนหญิงที่ไว้ทุกข์ให้ผู้ตายมานาน
3Vervoeg u dan bij den koning, en spreek tot hem als volgt. En Joab legde haar de woorden in de mond.
3เข้าไปหากษัตริย์ แล้วพูดตามที่ข้าจะบอก” โยอาบจึงบอกถ้อยคำที่นางต้องพูด
4Bij den koning toegelaten, wierp de vrouw uit Tekóa zich vol eerbied op de grond en sprak: Help mij, o koning!
4หญิงชาวเทโคอาเข้าเฝ้ากษัตริย์ หมอบหน้าลงกับพื้นแสดงความเคารพ แล้วร้องว่า “กษัตริย์เจ้าข้า โปรดช่วยด้วย!”
5De koning vroeg haar wat er aan scheelde. Zij hernam: Ach, ik ben een weduwvrouw. Toen mijn man stierf,
5กษัตริย์ถามนางว่า “เจ้ามีเรื่องอะไร?” นางตอบว่า “ข้าเป็นหญิงม่าย สามีของข้าตายแล้ว
6had uw dienstmaagd twee zonen; op het veld kregen ze samen twist, en omdat er niemand was, die tussenbeide kon komen, sloeg de een den ander dood.
6ผู้รับใช้ของท่านมีบุตรชายสองคน วันหนึ่งพวกเขาทะเลาะกันในทุ่ง ไม่มีใครแยกออก คนหนึ่งจึงทำร้ายอีกคนจนตาย
7En nu eist de hele familie van uw dienstmaagd: Lever den broedermoordenaar uit! We willen zijn leven voor dat van zijn broer, dien hij vermoord heeft, en willen ook den erfgenaam uit de weg ruimen! Zo willen ze de vonk uitdoven, die mij nog rest, en gunnen mijn man naam noch nakroost op aarde.
7ตอนนี้ญาติทั้งครอบครัวลุกขึ้นต่อต้านข้า พวกเขาบอกว่า ‘ส่งคนที่ฆ่าพี่น้องมา เราจะฆ่าเขาชดใช้ชีวิตพี่น้องที่เขาฆ่า และจะกำจัดทายาทคนนั้นด้วย’ ถ้าทำอย่างนั้นก็เท่ากับดับถ่านไฟก้อนสุดท้ายที่เหลืออยู่ของข้า ไม่ให้สามีของข้ามีทั้งชื่อและลูกหลานเหลืออยู่บนแผ่นดิน”
8De koning zei tot de vrouw: Ga maar naar huis; ik zal uitspraak doen in uw zaak.
8กษัตริย์บอกนางว่า “กลับบ้านไปเถิด ข้าจะออกคำสั่งเรื่องของเจ้า”
9Maar de vrouw uit Tekóa zeide tot den koning: Ja maar, mijn heer en koning, de bloedschuld komt op mij neer en op mijn familie; de koning en zijn troon hebben er geen hinder van.
9หญิงชาวเทโคอาทูลกษัตริย์ว่า “นายของข้าผู้เป็นกษัตริย์ ขอให้ความผิดตกอยู่กับข้าและวงศ์วานพ่อของข้า ส่วนกษัตริย์กับบัลลังก์ของท่านขอให้ปราศจากความผิด”
10De koning antwoordde: Als iemand iets van u wil, moet ge hem maar naar mij toe sturen; dan zal hij het niet meer wagen, u lastig te vallen.
10กษัตริย์ตรัสว่า “ใครพูดอะไรกับเจ้า ก็พาเขามาหาข้า เขาจะไม่รบกวนเจ้าอีก”
11Toen zeide de vrouw: Laat de koning bij Jahweh, uw God, verzekeren, dat de bloedwreker geen kwaad zal stichten, en dat mijn zoon niet uit de weg wordt geruimd! En hij beloofde: Zowaar Jahweh leeft; geen haar van uw zoon zal gekrenkt worden.
11นางทูลว่า “ขอกษัตริย์ทรงระลึกถึงพระยาห์เวห์พระเจ้าของท่าน เพื่อผู้ล้างแค้นเลือดจะไม่ทำลายอีก มิฉะนั้นพวกเขาจะฆ่าลูกชายของข้า” กษัตริย์ตอบว่า “ข้าขอสาบานต่อพระยาห์เวห์ผู้ทรงพระชนม์ว่า เส้นผมของลูกเจ้าจะไม่ตกถึงพื้นแม้แต่เส้นเดียว”
12Nu sprak de vrouw: Mag uw dienstmaagd mijn heer en koning nog iets zeggen? Hij antwoordde: Spreek.
12นางทูลว่า “ขอให้ผู้รับใช้ของท่านพูดกับนายของข้าผู้เป็นกษัตริย์อีกสักคำ” ท่านตอบว่า “พูดมา”
13En de vrouw hernam: Waarom zijt gij dan iets dergelijks van plan met het volk van God? Nu de koning deze beslissing heeft genomen, verklaart hij als het ware zichzelf schuldig, wanneer hij niet laat terugkeren dien hij verstoten heeft.
13นางจึงทูลว่า “เหตุใดท่านจึงวางแผนทำเช่นนี้ต่อประชาชนของพระเจ้า? เมื่อกษัตริย์ตรัสเช่นนั้น ท่านก็เหมือนผู้มีความผิด เพราะไม่พาคนที่ถูกขับไล่กลับบ้าน
14Want wij sterven toch; en evenmin als water, dat op de grond gemorst is, nog teruggehaald kan worden, zo geeft God geen leven terug. Laat de koning dus maatregelen nemen, om den verstotene niet langer van zich te verwijderen.
14เราทุกคนต้องตาย เหมือนน้ำที่หกลงพื้นแล้วเก็บคืนไม่ได้ พระเจ้าไม่ได้ทรงเอาชีวิตไป แต่ทรงหาทางไม่ให้คนที่ถูกขับไล่ต้องถูกตัดขาดจากพระองค์
15De reden, waarom ik den koning dit alles ben komen vertellen, is, dat de mensen mij bang maakten. Toen dacht uw dienstmaagd: Laat ik eens met den koning gaan praten; misschien doet de koning wel wat zijn dienstmaagd vraagt.
15ที่ข้ามาพูดเรื่องนี้กับนายของข้าผู้เป็นกษัตริย์ ก็เพราะผู้คนทำให้ข้ากลัว ข้าจึงคิดว่า ‘ข้าจะลองทูลกษัตริย์ บางทีท่านอาจทำตามคำร้องขอของผู้รับใช้’
16De koning zal wel luisteren en zijn dienstmaagd redden uit de greep van den man, die mij zowel als mijn zoon wil uitstoten uit het erfdeel van God.
16เพราะกษัตริย์จะทรงฟังและช่วยข้าพ้นจากมือคนที่คิดจะกำจัดข้ากับบุตรชายของข้าให้หมดไปจากมรดกซึ่งเป็นของพระเจ้า
17Daarom dacht uw dienstmaagd: Het woord van mijn heer en koning zal wel een geruststelling zijn; want mijn heer en koning is als een engel van God, die geduldig naar alles wil luisteren. Moge Jahweh, uw God, met u zijn!
17ข้าคิดว่า ‘ขอให้คำตรัสของนายของข้าผู้เป็นกษัตริย์นำความสงบมา เพราะนายของข้าแยกแยะดีชั่วได้เหมือนทูตสวรรค์ของพระเจ้า ขอพระยาห์เวห์พระเจ้าของท่านสถิตกับท่าน’”
18De koning hernam en sprak tot de vrouw: Verzwijg nu eens niet, wat ik u thans ga vragen. De vrouw antwoordde: Mijn heer en koning spreke.
18กษัตริย์ตรัสกับหญิงนั้นว่า “ข้าจะถามอะไรเจ้าอย่างหนึ่ง อย่าปิดบังข้า” นางตอบว่า “เชิญนายของข้าผู้เป็นกษัตริย์ตรัสเถิด”
19De koning vroeg: Heeft Joab hier soms de hand in gehad? De vrouw antwoordde: Zo waar gij leeft, mijn heer en koning, rechts noch links is er een uitweg, als mijn heer en koning iets vraagt! Ja, uw dienaar Joab was het, die mij de opdracht gaf; hij was het ook, die al deze woorden in de mond van uw dienares heeft gelegd.
19กษัตริย์ถามว่า “โยอาบอยู่เบื้องหลังเรื่องนี้ทั้งหมดใช่ไหม?” นางตอบว่า “ข้าขอสาบานต่อชีวิตของนายของข้าผู้เป็นกษัตริย์ ไม่มีใครบ่ายเบี่ยงจากสิ่งที่ท่านตรัสได้เลย โยอาบผู้รับใช้ของท่านเป็นผู้ขอให้ข้าทำ และสอนให้ข้าพูดทุกคำนี้
20Uw dienaar Joab heeft dat gedaan, om de zaak een ander voorkomen te geven; maar mijn heer is zo wijs als een engel van God, die alles weet, wat er op aarde gebeurt.
20โยอาบผู้รับใช้ของท่านทำเช่นนี้เพื่อให้ท่านมองเรื่องนี้ในอีกแง่หนึ่ง นายของข้าฉลาดเหมือนทูตสวรรค์ของพระเจ้า รู้ทุกสิ่งที่เกิดขึ้นบนแผ่นดิน”
21Toen sprak de koning tot Joab: Goed dan! Ik doe wat ge me voorstelt; ge kunt den jongen Absalom terughalen.
21กษัตริย์บอกโยอาบว่า “ข้าตกลงตามคำขอแล้ว ไปพาอับซาโลมชายหนุ่มนั้นกลับมา”
22Joab wierp zich vol eerbied op de grond, wenste den koning geluk en zeide: Nu weet uw dienaar, mijn heer en koning, dat ik bij u in de gunst sta, omdat de koning gedaan heeft, wat uw dienaar hem vroeg.
22โยอาบหมอบหน้าลงกับพื้นแสดงความเคารพและให้พรแก่กษัตริย์ แล้วกล่าวว่า “วันนี้ผู้รับใช้ของท่านรู้ว่าข้าเป็นที่โปรดปรานในสายตานายของข้าผู้เป็นกษัตริย์ เพราะท่านทำตามคำขอของผู้รับใช้”
23En Joab vertrok, ging naar Gesjoer en bracht Absalom naar Jerusalem terug.
23โยอาบจึงไปเกชูร์และพาอับซาโลมกลับเยรูซาเล็ม
24Maar de koning beval: Hij mag zich naar zijn woning begeven, maar mij niet onder de ogen komen! Absalom begaf zich dus naar zijn woning, en kwam den koning niet onder de ogen.
24แต่กษัตริย์สั่งว่า “ให้เขากลับไปอยู่บ้านของตน อย่าให้มาเห็นหน้าข้า” อับซาโลมจึงกลับบ้านและไม่ได้พบหน้ากษัตริย์
25Nu was er in heel Israël niemand, die zozeer om zijn schoonheid geprezen werd als Absalom; van top tot teen viel er niets op hem aan te merken.
25ทั่วอิสราเอลไม่มีใครได้รับคำชมเรื่องรูปโฉมมากเท่าอับซาโลม ตั้งแต่ฝ่าเท้าถึงศีรษะ เขาไม่มีตำหนิเลย
26Eens per jaar liet hij zijn hoofdhaar knippen; want dan was het zo’n vracht, dat hij het wel moest laten korten. Als hij dan zijn hoofdhaar liet knippen, woog het tweehonderd sikkel, naar koninklijk gewicht.
26เมื่ออับซาโลมตัดผม (เขาตัดทุกปลายปีเพราะผมหนัก) เขาชั่งผมที่ตัดได้สองร้อยเชเขล ตามมาตราชั่งของกษัตริย์
27Absalom had drie zonen gekregen; bovendien een dochter, die Tamar heette en een zeer mooie vrouw was.
27อับซาโลมมีบุตรชายสามคน และบุตรสาวคนหนึ่งชื่อทามาร์ นางมีใบหน้างดงาม
28Toen Absalom twee jaar in Jerusalem gewoond had, zonder den koning onder de ogen te zijn gekomen,
28อับซาโลมอยู่ในเยรูซาเล็มสองปีเต็มโดยไม่ได้พบหน้ากษัตริย์
29ontbood hij Joab met de bedoeling, hem tot den koning te zenden. Maar deze wilde niet bij hem komen. Hij ontbood hem nog eens, maar hij weigerde weer.
29เขาส่งคนไปเรียกโยอาบเพื่อจะให้โยอาบไปหากษัตริย์ แต่โยอาบไม่ยอมมา เขาส่งคนไปอีกครั้ง โยอาบก็ยังไม่ยอมมา
30Daarom zeide hij tot zijn dienaren: Naast het land van mij ligt een stuk land van Joab, waarop hij gerst heeft staan; gaat dat in brand steken. Toen de dienaren van Absalom het stuk land in brand hadden gestoken,
30อับซาโลมจึงสั่งคนรับใช้ว่า “ทุ่งของโยอาบอยู่ข้างทุ่งข้า เขาปลูกข้าวบาร์เลย์ไว้ ไปจุดไฟเผาเสีย” คนรับใช้ของอับซาโลมจึงเผาทุ่งนั้น
31begaf Joab zich eindelijk naar de woning van Absalom en zeide tot hem: Waarom hebben uw dienaren mijn akker in brand gestoken?
31โยอาบจึงมาหาอับซาโลมที่บ้านแล้วถามว่า “ทำไมคนของเจ้าจึงเผาทุ่งของข้า?”
32Absalom gaf Joab ten antwoord: Wel, ik heb u laten verzoeken, eens bij me te komen. Ik wilde u aan den koning laten vragen: Waarom ben ik eigenlijk uit Gesjoer gekomen? Het zou beter voor me zijn, als ik daar was gebleven. Nu wil ik ofwel door den koning ontvangen worden, óf hij moet me maar doden, als ik nog schuld heb.
32อับซาโลมตอบว่า “ข้าเรียกเจ้ามาเพื่อจะให้ไปบอกกษัตริย์ว่า ‘ข้ากลับมาจากเกชูร์ทำไม? อยู่ที่นั่นยังจะดีกว่า ตอนนี้ขอให้ข้าได้พบหน้ากษัตริย์ และถ้าข้ามีความผิด ก็ให้ท่านฆ่าข้าเสีย’”
33Joab ging dus naar den koning, en toen hij hem alles verteld had, liet hij Absalom roepen. Deze begaf zich naar den koning, en boog zich voor den koning ter aarde neer. En de koning kuste Absalom.
33โยอาบไปบอกกษัตริย์ เมื่อกษัตริย์เรียกอับซาโลมมา เขาก็เข้าเฝ้าและหมอบหน้าลงกับพื้นต่อหน้ากษัตริย์ กษัตริย์จูบอับซาโลม
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.