2 Kronieken 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Asa werd opgevolgd door zijn zoon Josafat. Deze wapende zich tegen Israël;
1Regnavit autem Josaphat filius ejus pro eo, et invaluit contra Israël.
2hij legde een garnizoen in alle vestingen van Juda, en bezettingen in het land Juda en in de steden, die zijn vader Asa had ingenomen.
2Constituitque militum numeros in cunctis urbibus Juda quæ erant vallatæ muris. Præsidiaque disposuit in terra Juda, et in civitatibus Ephraim quas ceperat Asa pater ejus.
3Jahweh was met Josafat; want hij volgde het voorbeeld, dat zijn vader in de eerste tijd had gegeven, en vereerde geen Báals,
3Et fuit Dominus cum Josaphat, quia ambulavit in viis David patris sui primis: et non speravit in Baalim,
4maar den God zijner vaderen, en deed niet als de Israëlieten, maar onderhield zijn geboden.
4sed in Deo patris sui: et perrexit in præceptis illius, et non juxta peccata Israël.
5Jahweh bevestigde het koninklijke gezag van Josafat in zijn hand, zodat heel Juda hem geschenken bracht, en rijkdom en aanzien hem in ruime mate ten deel viel.
5Confirmavitque Dominus regnum in manu ejus, et dedit omnis Juda munera Josaphat: factæque sunt ei infinitæ divitiæ, et multa gloria.
6Hierdoor steeg zijn moed, om de wegen van Jahweh te bewandelen, en de offerhoogten en de heilige palen in Juda op te ruimen.
6Cumque sumpsisset cor ejus audaciam propter vias Domini, etiam excelsa et lucos de Juda abstulit.
7In het derde jaar van zijn regering gaf hij opdracht aan de leiders Ben-Cháil, Obadja, Zekarja, Netaneël en Mikájehoe, om onderricht te geven in de steden van Juda.
7Tertio autem anno regni sui misit de principibus suis Benhail, et Obdiam, et Zachariam, et Nathanaël, et Michæam, ut docerent in civitatibus Juda:
8Zij waren vergezeld van de levieten Sjemajáhoe, Netanj hoe, Zebadjáhoe, Asaël, Sjemiramot, Jehonatan, Adoni-jáhoe, Tobi-jáhoe en Tob-Adoni-jáhoe, en de priesters Elisjama en Jehoram.
8et cum eis Levitas Semeiam, et Nathaniam, et Zabadiam, Asaël quoque, et Semiramoth, et Jonathan, Adoniamque et Thobiam, et Thobadoniam Levitas, et cum eis Elisama, et Joran sacerdotes:
9Zij gaven onderricht in Juda, aan de hand van het wetboek van Jahweh, en gingen rond in alle steden van Juda, om het volk te onderrichten.
9docebantque populum in Juda, habentes librum legis Domini, et circuibant cunctas urbes Juda, atque erudiebant populum.
10Bij alle vreemde koninkrijken, die in de omgeving van Juda lagen, zat de schrik voor Jahweh er zo levendig in, dat ze niet met Josafat durfden strijden.
10Itaque factus est pavor Domini super omnia regna terrarum quæ erant per gyrum Juda, nec audebant bellare contra Josaphat.
11De Filistijnen brachten Josafat geschenken en een schatting aan zilver; ook de Arabieren brachten hem een schatting van zeven en zeventighonderd rammen en zeven en zeventighonderd bokken.
11Sed et Philisthæi Josaphat munera deferebant, et vectigal argenti: Arabes quoque adducebant pecora, arietum septem millia septingenta, et hircorum totidem.
12Zo werd Josafat voortdurend machtiger. Hij bouwde in Juda burchten en opslagplaatsen;
12Crevit ergo Josaphat, et magnificatus est usque in sublime: atque ædificavit in Juda domos ad instar turrium, urbesque muratas.
13in de steden van Juda had hij geweldige voorraden, en in Jerusalem dappere ervaren krijgers.
13Et multa opera paravit in urbibus Juda: viri quoque bellatores et robusti erant in Jerusalem,
14Hier volgt een opsomming van hun verschillende families. Tot Juda behoorden de volgende bevelhebbers van duizend: Adna, de legeraanvoerder, met driehonderdduizend dappere mannen;
14quorum iste numerus per domos atque familias singulorum: in Juda principes exercitus, Ednas dux, et cum eo robustissimi viri trecenta millia.
15hem stond terzijde de legeraanvoerder Jehochanan, met tweehonderd en tachtigduizend man;
15Post hunc Johanan princeps, et cum eo ducenta octoginta millia.
16deze werd terzijde gestaan door Amas-ja, den zoon van Zikri, die zich vrijwillig aan Jahweh gewijd had, met tweehonderdduizend dappere mannen.
16Post istum quoque Amasias filius Zechri, consecratus Domino, et cum eo ducenta millia virorum fortium.
17Tot Benjamin behoorde de heldhaftige Eljada, met tweehonderdduizend man, gewapend met boog en schild;
17Hunc sequebatur robustus ad prælia Eliada, et cum eo tenentium arcum et clypeum ducenta millia.
18hij werd bijgestaan door Jehozabad, met honderd tachtigduizend dienstplichtigen.
18Post istum etiam Jozabad, et cum eo centum octoginta millia expeditorum militum.
19Dat waren de krijgers, die in ‘s konings dienst stonden, afgezien nog van hen, die de koning in de verschillende vestingen van Juda had gelegd.
19Hi omnes erant ad manum regis, exceptis aliis quos posuerat in urbibus muratis in universo Juda.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.