1 Petrus 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Eveneens moet gij, vrouwen, onderdanig zijn aan uw mannen; opdat ook zij, die misschien nog onwillig staan tegenover het woord, zonder woord, worden gewonnen door het gedrag hunner vrouwen,
1Tiel same, edzinoj, submetu vin al viaj propraj edzoj; por ke, eĉ se iuj ne obeas al la vorto, ili sen la vorto estu gajnitaj per la konduto de siaj edzinoj,
2wanneer ze uw reine, ingetogen wandel bespeuren.
2rigardante vian konduton kun timo ĉastan.
3Uw tooi moet niet in uiterlijke dingen bestaan: in haarvlechten, gouden smuk en klederdracht,
3Via ornamo estu ne la ekstera ornamo de harplektado kaj orportado, aŭ la surmetado de vestoj;
4maar in den verborgen mens van het hart: in de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en ingetogen geest, die kostbaar is in Gods oog.
4sed la kaŝita homo de la koro en la nedifektebla vesto de spirito milda kaj trankvila, kiu estas multevalora antaŭ Dio.
5Zo immers tooiden zich vroeger ook de heilige vrouwen, die haar hoop stelden op God; aan haar mannen waren ze onderdanig,
5Ĉar tiel same ankaŭ, en la tempo antikva, la sanktaj virinoj, kiuj esperis al Dio, ornamis sin, submetante sin al siaj propraj edzoj;
6zoals Sara aan Abraham gehoorzaam was, en hem “heer” heeft genoemd. Haar kinderen zijt gij geworden door het goede te doen, en geen enkel schrikbeeld te vrezen.
6kiel Sara obeis al Abraham, nomante lin sinjoro; kies infanoj vi fariĝis, bonfarante, kaj ne ektimigate per ia teruro.
7Eveneens moet gij, mannen, op redelijke wijze met uw vrouwen verkeren als met het zwakkere vat, en haar in ere houden als medeerfgenamen van de genade des levens, opdat uw gebeden niet worden belemmerd.
7Tiel same, edzoj, kunvivadu kun viaj edzinoj laŭscie, donante honoron al la virino kiel al la plimalforta ilo, kaj estante ankaŭ kun ili kunheredantoj de la graco de vivo, por ke viaj preĝoj ne malhelpiĝu.
8Ten slotte, weest allen eensgezind, deelnemend voor elkander, vol broederliefde, barmhartig, bescheiden;
8Fine, estu ĉiuj samideaj, simpatiaj, fratamemaj, kompatemaj, humilanimaj;
9vergeldt geen kwaad met kwaad, of schelden met schelden, maar zegent elkander veeleer; gij zijt toch geroepen, om zegen te erven.
9ne repagantaj malbonon kontraŭ malbono, nek insulton kontraŭ insulto, sed kontraŭe benadantaj; ĉar al tio vi estas vokitaj, por ke vi heredu benon.
10Immers: “Wie het leven wil liefhebben, En goede dagen wil zien: Beware zijn tong voor het kwaad, En zijn lippen voor leugen;
10Ĉar: Kiu volas ami vivon kaj vidi bonajn tagojn, Tiu gardu sian langon kontraŭ malbono, Kaj sian buŝon kontraŭ mensoga parolo;
11Hij vluchte het kwaad, doe enkel wat goed is, Zoeke de vrede en jage hem na.
11Li dekliniĝu de malbono kaj faru bonon, Li serĉu pacon, kaj ĉasu ĝin.
12Want de ogen des Heren zijn op de vromen gericht, Zijn oren naar hun smeken gekeerd; Maar ‘s Heren aanschijn blikt grimmig tegen de bozen.”
12Ĉar la okuloj de la Eternulo estas turnitaj al la piuloj, Kaj Liaj oreloj al iliaj krioj; Sed la vizaĝo de la Eternulo estas kontraŭ tiuj, kiuj faras malbonon.
13En wie zal u kwaad doen, wanneer gij ijverig zijt in het goede?
13Kaj kiu faros al vi malbonon, se vi fariĝos fervoraj en la bono?
14Maar al zoudt gij ook lijden om de gerechtigheid, zalig zijt gij! “Vreest niet voor hen, en laat u niet ontrusten.”
14Sed se vi eĉ suferus pro justeco, feliĉegaj vi estus; kaj ilian timon ne timu, nek maltrankviliĝu;
15Heiligt Christus, den Heer, in uw harten; weest altijd tot verantwoording bereid aan iedereen, die u rekenschap vraagt van de hoop, die in u leeft.
15sed la Sinjoron Kriston sanktigu en viaj koroj; estu ĉiam pretaj doni defendan respondon al ĉiu, kiu vin demandas pri la motivo de la espero en vi, sed kun humileco kaj timo;
16Doet het echter met zachtheid en schroom en met een goed geweten, opdat zij, die op uw goede wandel in Christus smalen, over hun lastertaal beschaamd mogen staan.
16havantaj bonan konsciencon; por ke, dum vi estas malestimataj, hontu tiuj, kiuj kalumnias vian bonan konduton en Kristo.
17Want het is beter te lijden, zo God het wil, wanneer men goed doet, dan wanneer men kwaad bedrijft.
17Ĉar pli bone estus, se tiel volus Dio, suferi pro bonfarado, ol pro malbonfarado.
18Immers ook Christus is éénmaal voor de zonden gestorven, een Rechtvaardige voor ongerechten, —om u te brengen tot God. Maar ter dood gebracht naar het Vlees, is Hij ten leven gewekt naar den Geest.
18Ĉar Kristo ankaŭ unufoje suferis pro pekoj, justulo pro maljustuloj, por ke li nin konduku al Dio; mortigite en la karno, sed vivigite en la spirito;
19In den Geest is Hij dan ook aan de geesten in de kerker gaat preken:
19en kiu ankaŭ li iris kaj predikis al la enkarceraj spiritoj,
20aan hen, die eertijds onwillig waren geweest, toen in de dagen van Noë Gods lankmoedigheid bleef wachten, totdat de ark was gebouwd. Hierin werden enigen—acht personen, —gered door het water heen.
20kiuj iam malobeis, kiam la longedaŭra pacienco de Dio atendis en la tagoj de Noa dum la pretigado de la arkeo, en kiu malmultaj, tio estas ok personoj, elsaviĝis tra akvo;
21Als voorafgebeeld Doopsel redt thans dit water ook u; niet als een afwassing van de onreinheid naar het vlees, maar als een bede tot God om een goed geweten, door de opstanding van Jesus Christus.
21kiu ankaŭ vin nun savas en antitipo, la bapto, ne la formetado de la karna malpuraĵo, sed la demando de bona konscienco al Dio per la releviĝo de Jesuo Kristo;
22Hij is opgestegen ten hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods, terwijl engelen en machten en krachten aan Hem zijn onderworpen.
22kiu estas dekstre de Dio, irinte en la ĉielon; al li anĝeloj kaj aŭtoritatoj kaj potencoj estas submetitaj.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.