1 Petrus
Chapter 3

1 Petrus

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kadede Kap (Pohnpe…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Eveneens moet gij, vrouwen, onderdanig zijn aan uw mannen; opdat ook zij, die misschien nog onwillig staan tegenover het woord, zonder woord, worden gewonnen door het gedrag hunner vrouwen,
1PIL dueta komail li akan, udi on pein omail warok kan, pwe irail me jo pojon majan o, en pil dore kila wiawia mau en li akan o arail nenenla.
2wanneer ze uw reine, ingetogen wandel bespeuren.
2Ni arail kilekilan omail wiawia min ianaki lan.
3Uw tooi moet niet in uiterlijke dingen bestaan: in haarvlechten, gouden smuk en klederdracht,
3Arail kapwat ender ni pali liki ni arail inid pena pit en mona de kapwat ki kold, de dilion nan likau linan.
4maar in den verborgen mens van het hart: in de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en ingetogen geest, die kostbaar is in Gods oog.
4A kapwat me jo janjal mi nan monion en aramaj, me jo jor, impai, opampap, iei me kajampwal ren Kot.
5Zo immers tooiden zich vroeger ook de heilige vrouwen, die haar hoop stelden op God; aan haar mannen waren ze onderdanig,
5Pwe iduen kapwat en li jaraui en kaua kan, me kaporoporeki Kot o duki on pein arail warok kan.
6zoals Sara aan Abraham gehoorzaam was, en hem “heer” heeft genoemd. Haar kinderen zijt gij geworden door het goede te doen, en geen enkel schrikbeeld te vrezen.
6Duen Jara, me peiki on Apraam o kamare kin i: Ai kaun; a komail wiala na jeri kan, ma komail pan wiawia mau o jota majak.
7Eveneens moet gij, mannen, op redelijke wijze met uw vrouwen verkeren als met het zwakkere vat, en haar in ere houden als medeerfgenamen van de genade des levens, opdat uw gebeden niet worden belemmerd.
7Pil dueta komail ol akan, lelapoki on omail warok kan, kaka kin irail, pwe koma jojoki pena mak en maur, pwe omail kapakap ender poula.
8Ten slotte, weest allen eensgezind, deelnemend voor elkander, vol broederliefde, barmhartig, bescheiden;
8A iet imwin mepukat: Komail karoj en lamalam ta pot, o pokepok pena, o pok on ri omail akan, o kadek, o aktikitik.
9vergeldt geen kwaad met kwaad, of schelden met schelden, maar zegent elkander veeleer; gij zijt toch geroepen, om zegen te erven.
9Komail der depukki me jued me jued, de lokaia jued lokaia jued, a kapaiada, ap aja, me a kilele on komail, en jojoki pai kan.
10Immers: “Wie het leven wil liefhebben, En goede dagen wil zien: Beware zijn tong voor het kwaad, En zijn lippen voor leugen;
10Pwe me men pok on maur o inon ion ran mau akan, i en pera jan jued lo a, o kil en au a, pwe re depa kotaue.
11Hij vluchte het kwaad, doe enkel wat goed is, Zoeke de vrede en jage hem na.
11A en muei jan me jued, ap wia me mau, en rapaki popol, ap dadaurata.
12Want de ogen des Heren zijn op de vromen gericht, Zijn oren naar hun smeken gekeerd; Maar ‘s Heren aanschijn blikt grimmig tegen de bozen.”
12Pwe jilan in Kaun o kin pera me pun kan, o karon a me mani ar kapakap. A jilan in Kaun o kin palian irail me wia jued.
13En wie zal u kwaad doen, wanneer gij ijverig zijt in het goede?
13Ij i me pan kaokaoe komail, ma komail dadaurata me mau?
14Maar al zoudt gij ook lijden om de gerechtigheid, zalig zijt gij! “Vreest niet voor hen, en laat u niet ontrusten.”
14A ma komail kamekameki me pun, komail meid pai; komail der majak irail o der waponda.
15Heiligt Christus, den Heer, in uw harten; weest altijd tot verantwoording bereid aan iedereen, die u rekenschap vraagt van de hoop, die in u leeft.
15A komail en kajarauiki nan monion omail Kaun Krijtuj. Anjau karoj komail en kak japen on amen amen me kalelapok re omail duen kaporopor o, me mi lol omail.
16Doet het echter met zachtheid en schroom en met een goed geweten, opdat zij, die op uw goede wandel in Christus smalen, over hun lastertaal beschaamd mogen staan.
16A mepukat en wiaui nin tiak en opampap, o majak, o injen makelekel, pwe irail, me kinekine likam on komail ni omail wiawia mau ren Krijtuj, ren namenokala ni ar karaun kin komail likam.
17Want het is beter te lijden, zo God het wil, wanneer men goed doet, dan wanneer men kwaad bedrijft.
17Me mau, ma i kupur en Kot, komail kamekameki me mau, jan omail kamekameki me jued.
18Immers ook Christus is éénmaal voor de zonden gestorven, een Rechtvaardige voor ongerechten, —om u te brengen tot God. Maar ter dood gebracht naar het Vlees, is Hij ten leven gewekt naar den Geest.
18Pwe pil Krijtuj kamekame ki dip pan mepak, me Pun wiliandi me japun kan; pwen kalua kitail don Kot. Pali uduk kamekamelar ap kaiaja kida Nen.
19In den Geest is Hij dan ook aan de geesten in de kerker gaat preken:
19I me a kotidilan waja teneten, pwen padaki on nen akan,
20aan hen, die eertijds onwillig waren geweest, toen in de dagen van Noë Gods lankmoedigheid bleef wachten, totdat de ark was gebouwd. Hierin werden enigen—acht personen, —gered door het water heen.
20Me jota peik maj o, ni anjau me Kot kotin auiaui o kanonama on ir ni muein Noa, ni anjau, me war im wiauier, me malaulau, ir me walemen, maure kila pil o.
21Als voorafgebeeld Doopsel redt thans dit water ook u; niet als een afwassing van de onreinheid naar het vlees, maar als een bede tot God om een goed geweten, door de opstanding van Jesus Christus.
21I me pil kin kamaur komail la anjau wet ni paptaij a kaidin kaminela pali uduk, pwe inau en injen mau on Kot eu, ki en Iejuj Krijtuj a iajadar.
22Hij is opgestegen ten hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods, terwijl engelen en machten en krachten aan Hem zijn onderworpen.
22A kotidalan nanlan, kotikot ni pali maun en Kot. Tounlan kan, o lapalap akan, o manaman akan upai on i.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.