1 Kronieken
Chapter 21
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Eens stond er een tegenstander tegen Israël op, die David aanspoorde, een volkstelling te houden in Israël.
1Satanás se levantou contra Israel e incitou Davi a fazer um censo de Israel.
2En David gaf aan Joab en aan de hoofden van het volk bevel: Gaat de bevolking van Israël tellen van Beër-Sjéba af tot Dan toe, en brengt me de uitslag; ik wil weten hoe talrijk het volk is.
2Davi disse a Joabe e aos líderes do povo: “Vão, contem Israel, desde Berseba até Dã; e tragam-me a resposta, para que eu saiba quantos são.”
3Joab antwoordde:Heer koning, moge Jahweh het volk nog honderdmaal talrijker maken! Ze zijn toch allen mijn heer en koning onderdanig? Waarom wil mijn heer en koning dat nagaan; waarom wil hij een schuld laden op Israël?
3Joabe disse: “Que o SENHOR multiplique o seu povo cem vezes mais do que são. Mas, meu senhor, o rei, não são todos eles servos do meu senhor? Por que o meu senhor exige essa coisa? Por que ele seria motivo de culpa para Israel?”
4Daar hij zich echter tegen het bevel des konings niet kon verzetten, ging Joab heen, kwam na een rondreis door geheel Israël te Jerusalem terug,
4No entanto, a palavra do rei prevaleceu contra Joabe. Portanto, Joabe partiu e percorreu todo o Israel; depois, voltou a Jerusalém.
5en deelde de uitslag van de volkstelling aan David mede:Israël telde in het geheel een millioen honderdduizend, en Juda vierhonderd zeventigduizend weerbare mannen.
5Joabe entregou a Davi a soma do censo do povo. Em todo o Israel havia um milhão e cem mil homens que empunhavam a espada; e em Judá havia quatrocentos e setenta mil homens que empunhavam a espada.
6Bij Levi en Benjamin had hij echter geen telling gehouden; zo was Joab tegen het bevel van den koning gekant.
6Mas ele não contou Levi e Benjamim entre eles, pois a palavra do rei era abominável para Joabe.
7Omdat deze geschiedenis aan God mishaagde, strafte Hij Israël.
7Deus se desagradou dessa coisa; portanto, ele feriu Israel.
8En David riep tot God: Ik heb zwaar gezondigd met wat ik gedaan heb; ach, vergeef de zonde van uw dienaar, want ik ben dwaas geweest.
8Davi disse a Deus: “Pequei gravemente ao fazer essa coisa. Mas agora, eu te peço, remove a iniquidade do teu servo, pois agi com muita insensatez.”
9Toen sprak Jahweh tot Gad, den ziener van David:
9O SENHOR falou a Gade, o vidente de Davi, dizendo:
10Ga aan David zeggen: Zo spreekt Jahweh! Drie dingen leg Ik u voor, waar ge een keus uit kunt maken; daarmede zal Ik u straffen!
10“Vá e fale a Davi, dizendo: 'Assim diz o SENHOR: “Eu lhe ofereço três coisas. Escolha uma delas, para que eu a faça a você.”'”
11Zo kwam Gad bij David en zeide tot hem: Zo spreekt Jahweh! Gij kunt kiezen:
11Então Gade foi a Davi e lhe disse: “Assim diz o SENHOR: 'Faça a sua escolha:
12òfwel drie jaar lang hongersnood; ofwel drie maanden lang vluchten voor uw vijanden, waarbij het zwaard van uw vijanden u achterhalen zal; ofwel drie dagen lang het zwaard van Jahweh, namelijk een pest in het land, terwijl de engel van Jahweh in heel het gebied van Israël verderf zaait. Bedenk u en overleg, wat ik moet antwoorden aan Hem, die mij zendt.
12ou três anos de fome; ou três meses sendo consumido diante dos seus adversários, enquanto a espada dos seus inimigos o alcança; ou então três dias da espada do SENHOR, isto é, peste na terra, e o anjo do SENHOR destruindo por todas as fronteiras de Israel. Agora, portanto, considere que resposta devo levar àquele que me enviou.'”
13Toen zeide David tot Gad: Ik weet geen raad; maar ik wil toch liever vallen in de hand van Jahweh, wiens barmhartigheid groot is, dan in de hand van mensen!
13Davi disse a Gade: “Estou em grande angústia. Que eu caia, eu peço, nas mãos do SENHOR, pois as suas misericórdias são muito grandes. Não me deixe cair nas mãos dos homens.”
14Daarom liet Jahweh de pest los op Israël, waardoor van Israël zeventigduizend mensen stierven.
14Então o SENHOR enviou uma peste sobre Israel, e caíram setenta mil homens de Israel.
15Ook naar Jerusalem zond God den engel, om er verderf te stichten. (b) Toen kreeg Jahweh spijt over het onheil, en Hij sprak tot den verderfengel: Genoeg nu; trek nu uw hand terug! De engel van Jahweh bevond zich toen nabij de dorsvloer van Ornan, den Jeboesiet.
15Deus enviou um anjo a Jerusalém para destruí-la. Quando ele estava prestes a destruir, o SENHOR viu, e se arrependeu do desastre, e disse ao anjo destruidor: “Basta. Agora retire a sua mão.” O anjo do SENHOR estava em pé junto à eira de Ornã, o jebuseu.
16David had de ogen opgeslagen en den engel van Jahweh tussen hemel en aarde zien staan, met een getrokken zwaard in de hand, dat hij over Jerusalem zwaaide. In zakken gehuld, viel David met de oudsten voorover,
16Davi levantou os olhos e viu o anjo do SENHOR em pé entre a terra e o céu, tendo uma espada desembainhada em sua mão, estendida sobre Jerusalém. Então Davi e os líderes, vestidos de pano de saco, prostraram-se com o rosto em terra.
17en riep tot God: Ik heb bevel gegeven, een volkstelling te houden; ik heb gezondigd, ik deed verkeerd; maar wat hebben deze schapen voor schuld? Jahweh mijn God, keer liever uw hand tegen mij en tegen het huis van mijn vader; laat het geen ramp worden voor uw volk!
17Davi disse a Deus: “Não fui eu quem mandou contar o povo? Fui eu mesmo quem pecou e agiu com muita maldade; mas estas ovelhas, o que elas fizeram? Por favor, que a tua mão, ó SENHOR meu Deus, seja contra mim e contra a casa do meu pai; mas não contra o teu povo, para que não seja atingido pela praga.”
18Nu sprak de engel van Jahweh tot Gad: Zeg aan David, dat hij voor Jahweh een altaar gaat oprichten op de dorsvloer van Ornan, den Jeboesiet.
18Então o anjo do SENHOR ordenou a Gade que dissesse a Davi que Davi subisse e erguesse um altar ao SENHOR na eira de Ornã, o jebuseu.
19Op het woord van Gad ging David op weg, zoals Jahweh het bevolen had.
19Davi subiu conforme a palavra de Gade, que ele falou em nome do SENHOR.
20Toen Ornan, die juist de tarwe aan het dorsen was, zich omkeerde, had hij den engel gezien en zich met zijn vier kinderen geborgen.
20Ornã se virou e viu o anjo; e os seus quatro filhos que estavam com ele se esconderam. Ora, Ornã estava debulhando trigo.
21Daar kwam David op Ornan toe. Toen Ornan opkeek, en David zag, verliet hij de dorsvloer en boog zich voor David neer tot op de grond.
21Quando Davi se aproximou de Ornã, Ornã olhou e viu Davi, e saiu da eira, e curvou-se diante de Davi com o rosto em terra.
22En David zeide tot Ornan: Sta mij het terrein van de dorsvloer af; ik wil er een altaar voor Jahweh op bouwen. Ge moet het mij voor de volle prijs afstaan, opdat de plaag van het volk moge wijken.
22Então Davi disse a Ornã: “Venda-me o lugar desta eira, para que eu construa nela um altar ao SENHOR. Você deve vendê-lo a mim pelo preço total, para que a praga pare de afligir o povo.”
23Nu sprak Ornan tot David: Laat mijn heer en koning nemen en doen wat hem goed dunkt! Daar staan de runderen voor het brandoffer, de dorssleden voor brandhout, en de tarwe voor spijsoffers; dat alles sta ik u af.
23Ornã disse a Davi: “Tome-o para você, e que o meu senhor, o rei, faça o que for bom aos seus olhos. Eis que dou os bois para os holocaustos, e os instrumentos de debulhar para servir de lenha, e o trigo para a oferta de cereais. Eu dou tudo isso.”
24Maar koning David sprak tot Ornan: Neen, kópen wil ik het, en wel voor de volle prijs; ook wil ik voor Jahweh niet iets wegnemen, wat u toebehoort, en brandoffers opdragen, die mij niets kosten.
24O rei Davi disse a Ornã: “Não, mas eu certamente o comprarei pelo preço total. Pois não tomarei o que é seu para o SENHOR, nem oferecerei um holocausto que não me custe nada.”
25David betaalde toen aan Ornan voor het terrein een waarde van zeshonderd gouden sikkels.
25Então Davi deu a Ornã seiscentos siclos de ouro, por peso, pelo lugar.
26Hij liet daar een altaar voor Jahweh oprichten, droeg brandoffers op en dankoffers, en toen hij Jahweh aanriep, antwoordde Hij hem door het vuur, dat Hij uit de hemel op het brandoffer liet neerdalen.
26Davi construiu ali um altar ao SENHOR, e ofereceu holocaustos e ofertas pacíficas, e invocou o SENHOR; e ele lhe respondeu do céu com fogo sobre o altar de holocaustos.
27Daarop gaf Jahweh den engel een bevel, en hij trok zijn zwaard terug in de schede.
27Então o SENHOR deu ordem ao anjo, e ele guardou a sua espada de volta na bainha.
28Daar David bij die gelegenheid ondervonden had, dat Jahweh hem verhoorde op de dorsvloer van Ornan, den Jeboesiet, begon hij daar te offeren.
28Naquele tempo, quando Davi viu que o SENHOR lhe havia respondido na eira de Ornã, o jebuseu, então ele ofereceu sacrifícios ali.
29De tabernakel van Jahweh met het brandofferaltaar, die Moses in de woestijn had vervaardigd, bevond zich toenmaals wel op de hoogte van Gibon,
29Pois o tabernáculo do SENHOR, que Moisés fez no deserto, e o altar de holocaustos, estavam naquele tempo no lugar alto em Gibeão.
30maar David waagde het niet meer, God daar te gaan vereren: zo’n ontzag had hij gekregen voor het zwaard van den engel van God.
30Mas Davi não podia ir diante dele para consultar a Deus, pois estava com medo por causa da espada do anjo do SENHOR.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.